Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/5.2.2.1
5.2.2.1 Versoepeling van stelplicht en bewijslast
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657559:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654, NJ 1998/624 (Vehof-Vasters/Helvetia), r.o. 3.5; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/486 (X/Goudse), r.o. 3.3.2. Zie ook de strenge houding van de Hoge Raad ten aanzien van de motivering die vereist is als een instantie negatieve ontwikkelingen in het leven van het slachtoffer wil aannemen: HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3397, NJ 2016/138, m.nt. S.D. Lindenbergh (Jerrycan).
Akkermans 2000, p. 118-119.
HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654, NJ 1998/624 (Vehof-Vasters/Helvetia), r.o. 3.5; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273, NJ 2017/115, r.o. 3.3.2. Zie bijv. Rb. Overijssel 24 december 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:6670; Rb. Gelderland 21 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5398, JA 2019/24, m.nt. Klashorst; Rb. Gelderland 23 november 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5618, JA 2019/19, m.nt. J. de Clerck, r.o. 3.9.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 9 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4977, JA 2013/161, r.o. 2.2; Rb. Rotterdam 19 augustus 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:6616, JA 2014/130, r.o. 4.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2350, JA 2015/77, m.nt. J. Laumen-De Valk, r.o. 7.7; Hof Arnhem-Leeuwarden 14 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9996, r.o. 2.5; Rb. Zeeland-West-Brabant 9 juli 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:3178, JA 2019/139, r.o. 4.3; Rb. Gelderland 27 november 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:5615, JA 2020/30, r.o. 3.9.
HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, NJ 2020/233, m.nt. S.D. Lindenbergh (Alphen aan den Rijn).
Het hof verwijst naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 340. Geheel overtuigend is dat niet. In die passage verwijst Meijers namelijk naar het geval waarin iemand door onrechtmatige executie is gedood en elk van de schoten voldoende was om de dood te doen intreden. In zo’n geval mag de veroorzaker van de eerste gebeurtenis zich niet verweren met de stelling dat de schade toch wel zou zijn ingetreden. Dat is nadrukkelijk anders in Alphen, waar het gaat om een mogelijke ontwikkeling in het hypothetische scenario zonder onrechtmatige daad.
HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, NJ 2020/233, m.nt. S.D. Lindenbergh (Alphen aan den Rijn), r.o. 3.2.2.
Ibid.
Allereerst geldt in het algemeen dat aan het door eiser te leveren bewijs van ‘toekomstige ontwikkelingen’ in het hypothetische scenario niet al te hoge eisen worden gesteld.1 In die zin lijkt de rechter dus al enigszins aan de eiser tegemoet te komen op billijkheidsgronden: omdat we niet met zekerheid kunnen zeggen wat er zonder de normschending zou zijn gebeurd, is zekerheid ook niet vereist.2 Bovendien is het nu net de gedaagde die verantwoordelijk is voor die onzekerheid: zonder zijn onrechtmatige daad hadden we immers zeker geweten wat er zou zijn gebeurd. Die regel heeft de Hoge Raad ooit geformuleerd in het kader van letselschade,3 maar hij wordt in de lagere rechtspraak ruimer toegepast door in het algemeen geen zekerheid te verlangen.4
In Alphen aan den Rijn5 liet de Hoge Raad een vergelijkbaar geluid horen. Ter herinnering, het ging om het volgende. In 2011 opende een schutter vuur op winkelend publiek in een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn. Hij voerde zijn aanslag uit met wapens waarvoor hij enkele jaren eerder vergunningen had gekregen. Achteraf bleek dat hij deze vergunningen, gelet op zijn psychiatrische verleden, nooit had mogen krijgen. De slachtoffers en nabestaanden stelden de politie aansprakelijk. Een van de verweren van de politie was dat zelfs als zij de vergunning niet verleend had (het startpunt van het hypothetische scenario) de schutter de aanslag toch zou hebben gepleegd, maar dan met illegale wapens. Het hof redeneerde vrij vlug dat de politie zich op zulke alternatieve oorzaken niet kon beroepen.6
De Hoge Raad laat het oordeel van het hof overeind, maar lijkt zich in die redenering niet helemaal te kunnen vinden: als de politie echt had kunnen aantonen dat zelfs bij afwijzing van de vergunning de aanslag alsnog zou zijn gepleegd, dan kan in principe geen causaal verband worden aangenomen. In dit geval had de politie echter onvoldoende concrete omstandigheden aangevoerd om tot die conclusie te komen, zodat de Hoge Raad cassatie op dit punt niet nodig achtte.7 Daartoe acht de Hoge Raad redengevend dat
“[m]ede gelet op de aard van de door Politieregio HM geschonden norm (een veiligheidsnorm die vuurwapenbezit beoogt te voorkomen bij personen bij wie dat bezit niet verantwoord is (...)) (...) van de Politie deze onderbouwing van de betwisting van het condicio sine qua non-verband tussen het verlof en het schietincident [mocht] worden gevergd”.8
De Hoge Raad lijkt hier niet zo ver te gaan dat dit een geval is waar de omkeringsregel toegepast had moeten worden, maar geeft duidelijk aan dat het soort norm (een veiligheidsnorm) een van de factoren is die een extra ‘betwistingsplicht’ op de gedaagde legt.