Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.3.4
3.3.4 Wettelijke taakomschrijving van commissarissen en invoering structuurregeling
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS389735:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1971, 289.
Zie onder meer Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman/Schoonbrood 2017, par. 68.
De Jongh 2014, p. 547 e.v.
HR 1 april 1949, NJ 1949, 465 (Doetinchemse IJzergieterij-arrest).
De bepalingen betreffende de structuurregeling voor NV’s en BV’s kwamen enkele jaren later in een aparte afdeling in Boek 2 BW te staan en de taakomschrijving van commissarissen van NV’s en BV’s (in het algemeen) werd opgenomen in artikelen 2:140 en 250 lid 2 BW. Stb. 1978, 228.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 751, nr. 3, p. 12-13. De MvT vervolgde: “Weliswaar worden – bij het ontbreken van een definitie in de tegenwoordige wet: zie het eigenaardige artikel 50b – in de literatuur wel andere kenmerken van de positie van commissarissen opgenoemd, maar deze kan men beschouwen als onderdeel of uitvloeisel van de algemene taak van toezicht en advies.”
Kamerstukken II 1969-1970, 10 751, nr. 3, p. 12-13.
Het eerste lid van artikel 2:47 (oud) BW (voorheen 2.2.1.22) luidde als volgt: “Bij de statuten kan worden bepaald, dat het toezicht op het bestuur aan een raad van commissarissen, die uit natuurlijke personen bestaat zal worden opgedragen. Tenzij de statuten anders bepalen, bedraagt het aantal der commissarissen drie.”
Stb. 1988, 305 (Invoering van de structuurregeling voor grote coöperaties en voor grote onderlinge waarborgmaatschappijen).
De vastlegging van de taakomschrijving voor commissarissen van een coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij hing, evenals de vastlegging van de taakomschrijving bij NV’s en BV’s, samen met de invoering van de verplichte raad van commissarissen voor structuurcoöperaties en -onderlinge waarborgmaatschappijen. Bij dezelfde wet werd de regeling van de instelling van een raad van commissarissen bij gewone verenigingen vreemd genoeg geschrapt.
De Nijs Bik 2013, p. 3.
De Nijs Bik 2013, p. 3.
Kamerstukken II 1973-1974, 11 005, nr. 41. Dit amendement hield in dat indien een stichting een onderneming in stand houdt waarvoor een ondernemingsraad is ingesteld, ten minste de helft van de bestuurders van die stichting benoemd wordt door de gekozen leden van de ondernemingsraad.
Kamerstukken II 1974-1975, 11 005, nr. 66. Dit amendement houdt in dat het bestuur van een stichting die op haar balansdatum ten minste 100 werknemers in dienst heeft, haar jaarstukken bij het handelsregister moet neerleggen.
Handelingen II 20 maart 1975, p. 3666. Zie hierover ook Duynstee 1978, p. 78-80.
Handelingen II 20 maart 1975, p. 3668-3669.
De Minister merkte bij zijn toezegging op dat deze er – anders dan een studie naar een regeling voor de grote coöperatie en de grote onderlinge waarborgmaatschappij – niet op korte termijn zou komen.
Handelingen II 20 maart 1975, p. 3707, p. 3711-3712.
SER-Advies 1985/07.
In de jaren ’60 en ’70 ontstonden wat betreft kapitaalvennootschappen discussies over de “sociale kant” van bestuur en toezicht, welke discussies uiteindelijk leidden tot de invoering van de structuurregeling. In 1971 werden in het Wetboek van Koophandel voorzieningen opgenomen “met betrekking tot de structuur der naamloze en besloten vennootschappen” (“structuurregeling”).1
Wettelijke taakomschrijving van commissarissen van NV’s (en BV’s)
Zoals in de literatuur wordt beschreven, is de raad van commissarissen van een kapitaalvennootschap in zijn oorspronkelijke opzet een orgaan dat ten behoeve van de aandeelhouders toezicht houdt op het bestuur.2 Uit de jurisprudentie volgde op enig moment dat commissarissen geacht worden een eigen taak te hebben en zich bij de uitoefening van die taak dienen te richten naar het belang van de vennootschap.3 Het belang van de vennootschap valt niet noodzakelijkerwijs samen met de belangen van de aandeelhouder.4
De wet die de structuurregeling introduceerde, bevatte niet alleen een regeling voor de structuurvennootschap (waarover hierna meer), maar ook nieuwe wettelijke bepalingen voor de (optionele en verplichte) raden van commissarissen van de vennootschap in het algemeen. Zo werd de wettelijke taak van de raad van commissarissen vastgelegd in artikel 50 WvK (Oud), de voorloper van artikel 2:140 en 250 lid 2 BW.5 In de MvT werd hierover het volgende gezegd:
“Artikel 50 regelt, naast de mogelijkheid tot instelling van een raad van commissarissen, diens taak in het algemeen. De hoofdtaak van commissarissen is in het ontwerp, in overeenstemming met het voorstel der Commissie-Ondernemingsrecht, omschreven als het uitoefenen van toezicht en het geven van advies.”6
Bovendien werd in de wettekst een norminstructie opgenomen: het belang van de vennootschap:
“In de redactie hebben wij aansluiting gezocht bij de formulering van de Hoge Raad, nl. dat de commissarissen zich richten naar het belang der vennootschap. Daaraan hebben zij het belang der onderneming toegevoegd teneinde geen voet te geven aan de gedachte dat commissarissen slechts het belang der aandeelhouders als groep behartigen, zonder acht te slaan op dat der werknemers. De bedoeling is juist te doen uitkomen dat de commissarissen het belang van het geheel behartigen.”7
Intermezzo: wettelijke taakomschrijving van de raad van commissarissen van verenigingen
Voor verenigingen kende de wet aanvankelijk een regeling van de raad van commissarissen: artikel 47 (oud) BW.8 Dit artikel werd echter met de invoering van de structuurregeling voor coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen in 1989 overgebracht naar artikel 2:57 lid 2 BW.9 De taakomschrijving van de raad van commissarissen van coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen was hetzelfde als de taakomschrijving van kapitaalvennootschappen, waarbij in plaats van het woord “vennootschap” het woord “rechtspersoon” werd gebezigd.
De wettelijke taakomschrijving voor de raad van commissarissen van gewone verenigingen kwam met de overheveling naar artikel 2:57 lid 2 BW echter te vervallen.10 De MvT zei over het schrappen van deze bepaling:
“Artikel 47 is voornamelijk met het oog op coöperaties in de wet opgenomen. Bij “gewone” verenigingen is een raad van toezicht of dergelijk college zeer zeldzaam. Verenigingen kunnen ook allerlei andere organen hebben, zoals tuchtcommissies, klachtencommissies, wedstrijdcommissies e.d., waarover de wet zwijgt. De gevallen verschillen onderling te veel om ze eenvormig te regelen. Daarom wordt de gelegenheid te baat genomen ook de regeling van de raad van commissarissen in de wet nog slechts op te nemen voor coöperaties, zodat andere verenigingen vrij zullen zijn in hun statutaire regeling van een raad van toezicht.”11
Opvallend aan deze passage is mijns inziens dat de indruk wordt gewekt dat tuchtcommissies, klachtcommissies, etc., een zelfde toezichthoudende taak hebben of kunnen hebben als een raad van commissarissen. Bovendien is wonderlijk dat de wet toen reeds een tegenstrijdig belangregeling voor verenigingen bevatte waarin aan de raad van commissarissen een wettelijke rol is toebedeeld (het huidige artikel 2:46 BW).
Inhoud en reikwijdte structuurregeling
De structuurregeling ging er van uit dat sprake moest zijn van een gelijke invloed van kapitaal en arbeid (aandeelhouders en ondernemingsraad) op de samenstelling van de raad van commissarissen. De structuurregeling was oorspronkelijk slechts bedoeld voor beurs-NV’s waarbij vaak sprake was van verspreid aandelenbezit en soms een grote afstand bestond tussen kapitaalverschaffers en onderneming. Vanwege het verspreide aandelenbezit kan de “macht” binnen de vennootschap komen te liggen bij een “toevallige meerderheid” van de aandeelhouders die op de vergadering zijn verschenen, welke aandeelhouders niet representatief behoeven te zijn voor alle aandeelhouders. Men meende dat bij dergelijke vennootschappen onafhankelijk toezicht op het bestuur verplicht gesteld moest worden, aangezien kapitaalverschaffers onvoldoende in staat en bereid waren om zelf toezicht uit te oefenen.12 Uiteindelijk werd de regeling niet alleen van toepassing verklaard op beursvennootschappen, maar op alle (aanvankelijk naamloze) vennootschappen die als “groot” in de zin van de structuurregeling kwalificeerden.
Een vennootschap die voldeed aan de criteria voor structuurvennootschap werd op grond van de wet verplicht een raad van commissarissen in te stellen. Tot dan toe was instelling van een raad van commissarissen bij alle vennootschappen facultatief. De raad van commissarissen van een structuurvennootschap benoemde zelf zijn leden, waarbij een invloedsmogelijkheid werd toegekend aan de ondernemingsraad en de algemene vergadering (ook wel “gecontroleerde coöptatie” genoemd). De raad van commissarissen van de structuurvennootschap kreeg een aantal wettelijke bevoegdheden: benoeming van bestuurders en commissarissen, ontslag van bestuurders, vaststelling van de jaarrekening en goedkeuring van bepaalde bestuursbesluiten.13
Structuurregeling voor stichtingen?
Toenmalig Minister van Justitie Van Agt meende dat de stichting te zeer van de kapitaalvennootschap verschilt om haar, ook als zij een grote omvang heeft, een structuur op leggen die vergelijkbaar is met de structuurregeling voor grote vennootschappen.14 De Minister zei dat de aan de structuurregeling voor grote vennootschappen ten grondslag liggende gedachte over gelijke invloed van aandeelhouders en ondernemingsraad op de samenstelling van de raad van commissarissen niet opgaat bij stichtingen, aangezien zij geen aandeelhoudersvergadering kennen.
Amendementen Haas-Berger
Een aantal Kamerleden nam hier geen genoegen mee. Kamerlid Haas-Berger diende een amendement in dat inhield in dat werknemers invloed moesten kunnen uitoefenen op de samenstelling van het bestuur van een stichting.15 Kort daarna diende zij nog een amendement in dat er op neer kwam dat een grote stichting inzicht dient te geven in haar financiële situatie.16 Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer in 1975 zei mevrouw Haas-Berger dat:
“bij de structuur van grote stichtingen, waar wij hier over spreken, vele duizenden Nederlanders zijn betrokken, die geen invloed hebben op de samenstelling van het bestuur van de onderneming, waarin zij werken, omdat het toevallig een stichting is. Ook vrijwel nooit wijzen wij er op, dat hier, in dit dor-lijkende boek, de grondoorzaken liggen voor conflicten, die huizehoge publiciteit kregen: nieuw Dennendal, om er maar een te noemen, en dat het gaat om het beheer van kapitale – door de gemeenschap verstrekte – vermogens, waar buitenstaanders geen enkel inzicht in kunnen krijgen, om nog maar niet te spreken over een ander, publiekelijk terecht hoog gewaardeerd goed als ons gemeenschappelijk woningbezit, dat ook voor een gedeelte door oncontroleerbare stichtingen wordt beheerd. In een democratie, waarin het begrip participatie meer is dan een modewoord, zijn dit ongehoorde zaken.”17
Zij merkte voorts op dat de stichting een juridische paraplu is voor vele verschillende soorten activiteiten: er zijn kleine stichtingen met een klein vermogen en geen vaste werknemers in dienst, stichtingen met een iets groter vermogen en enkele vaste werknemers, stichtingen met veel werknemers maar met een betrekkelijk gering vermogen die een maatschappelijk georiënteerd doel hebben (bijvoorbeeld een verpleegtehuis), stichtingen met weinig werknemers die gericht zijn op een belangengroep (zoals een clubhuis voor jeugd), stichtingen met weinig werknemers maar een groot vermogen (zoals beleggingsfondsen) en stichtingen die een grote onderneming in stand houden met zowel een groot aantal werknemers als een groot vermogen (bijvoorbeeld in de gezondheidszorg). Haas-Berger stelde de vraag of er niet regels gesteld zouden kunnen worden teneinde direct belanghebbenden invloed te geven op de samenstelling van het bestuur en of er niet regels voor verschillende categorieën zouden moeten komen waarin de medezeggenschap van werknemers (en ook andere belanghebbenden) geregeld wordt.18
Reactie Minister van Justitie
Toenmalig Minister van Justitie Van Agt zegde een nadere studie naar dit onderwerp toe.19 Hij merkte op dat veel van de door mevrouw Haas-Berger genoemde stichtingen met een onderneming drijven op uit subsidies verkregen overheidsmiddelen. In deze subsidievoorwaarden kan een regeling opgenomen worden die is toegespitst op de betrokken rechtspersoon. Dergelijke stichtingen moeten doorgaans aan de overheid, de subsidiënt, jaarlijks rekening en verantwoording afleggen, aldus Van Agt. Wat betreft financiële verantwoording is in de WOR geregeld dat jaarstukken in de ondernemingsraad worden besproken, aldus Van Agt. Hij vroeg zich af of en bij wie er daarnaast nog behoefte was aan publicatie van financiële gegevens. Het aantal stichtingen dat een commercieel bedrijf van aanzienlijke omvang drijft was volgens de Minister immers klein vergeleken met het totale aantal stichtingen.
Van Agt vond het voorstel van mevrouw Haas-Berger ten aanzien van benoeming van bestuurders te veel afwijken van het systeem van vennootschappen. Hij merkte op dat dit er toe leidt dat bijvoorbeeld bij een stichting met een ideëel doel, in afwijking van hetgeen de oprichters blijkens de statuten hebben bedoeld, werknemers voor de helft kunnen bepalen wie bestuurders zijn terwijl die werknemers mogelijk geen enkele verbondenheid hebben met datideële doel. Dat kon volgens hem niet zijn bedoeld.20 De amendementen van mevrouw Haas-Berger werden vervolgens ingetrokken.
SER-advies
De Sociaal-Economische Raad (SER) bracht, naar aanleiding van voornoemd verzoek tot een nadere studie, pas een aantal jaar later, in 1985, een advies aan de Minister van Justitie uit over de samenstelling van toezichthoudende organen van rechtspersonen die een onderneming drijven.21 De SER ging met name in op de vraag of de structuurregeling moest gaan gelden voor grote coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Zijdelings kwam aan de orde of de structuurregeling ook toepasselijk zou moeten zijn op grote ondernemingen die werden gedreven in de vorm van een stichting. De SER meende van niet, aangezien de structuurregeling slechts zou moeten gelden voor commerciële ondernemingen, die door de SER “profit-ondernemingen” genoemd werden. Toepasselijkheid van de structuurregeling op stichtingen behoefde volgens de SER niet onderzocht te worden, aangezien stichtingen werden geacht geen commerciële ondernemingen te zijn.