Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.4.2.2.3
4.4.2.2.3 Ontstaansmoment van de wettelijke regresvordering
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931188:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van deze discussie Bergervoet 2014/242 e.v.
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2014/172, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (ASR/Achmea), r.o. 3.6.
Schuijling 2016/87 en 102.
Faber & Vermunt 2014/2; Schuijling 2016/124. Anders: Verdaas 2014/25-30.
Zie hiervoor, nr. 130.
Zie hierna, nr. 169.
Asser/Sieburgh 6-II 2021/3. Anders: Van Boom 1999, p. 98; Van Boom 2016a, p. 105-106.
Ik begrijp de schroom van Van Boom 2016a, p. 156, dan ook niet.
Van Boom 1999, p. 148; Van Boom 2016a, p. 156.
Van Boom 1999, p. 149-151; Van Boom 2016a, p. 157-158; Asser/Sieburgh 6-I 2020/123.
Van Boom 1999, p. 149-151; Van Boom 2016a, p. 157-158.
Zie hiervoor, nr. 130, en par. 4.5.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 115 (MvA II). Zie voorts Asser/Sieburgh 6-II 2021/129.
Deze passage is in sterke mate gebaseerd op Stein 2020a.
Vgl. art. 3:304 BW.
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2014/172, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (ASR/Achmea), r.o. 3.5. Zie hierover Stein 2020a/2. Vgl. ook reeds HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3952, NJ 2011/557, m.nt. M.M. Mendel (RVS/Scheldebouw), r.o. 3.4.2.
Vgl. art. 3:304 BW.
Zie met name HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112, m.nt. C.E. du Perron (Saelman), r.o. 3.4; HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2014/172, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (ASR/Achmea), r.o. 3.7.1 e.v.; en HR 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:889, NJ 2021/115, m.nt. J.L. Smeehuijzen (Achmea/Vivat), r.o. 3.4.2. Anders dan sommige auteurs wel lijken te menen, is het moment van opeisbaarheid dus niet het aanvangsmoment van de verjaringstermijn, maar slechts het vroegst mogelijke aanvangsmoment. Zie onvoldoende zuiver bijvoorbeeld Smeehuijzen 2012, p. 44-446; Smeehuijzen 2021, nr. 14-23.
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2014/172, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (ASR/Achmea), r.o. 3.7.2.
Zie met name HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3686, NJ 2001/655 (Van B./Vereniging voor Diaconessenarbeid II), r.o. 3.3 en HR 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9600, NJ 2003/268, m.nt. T. Koopmans (Van Hout/Staat), r.o. 3.8.
Voor zover hierover nog twijfel bestond, is die mijns inziens weg genomen door het arrest HR 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:889, NJ 2021/115, m.nt. J.L. Smeehuijzen (Achmea/Vivat), r.o. 3.7. Zie hierover uitgebreid Stein 2020a, par. 4.
151. Ontstaansmoment en opeisbaarheid (wettelijke regresvorderingen). In de literatuur is veel gediscussieerd over het ontstaansmoment van de wettelijke regresvordering. Dit debat centreerde zich rondom de vraag of iedere hoofdelijk schuldenaar reeds met het intreden van de hoofdelijke verbondenheid gerechtigd is tot een voorwaardelijke regresvordering, namelijk onder de opschortende voorwaarde van overschrijding van diens draagplicht.1 Sinds het arrest ASR/Achmea is echter duidelijk dat de wettelijke regresvordering pas ontstaat op het moment waarop een hoofdelijk schuldenaar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat.2 Vóór dat moment bestaat de regresvordering dus niet, ook niet voorwaardelijk, omdat pas op dat moment voldaan is aan alle wettelijke vereisten voor het ontstaan van de regresvordering.3 Partijen kunnen mijns inziens zelf slechts zeer beperkt invloed uitoefenen op het ontstaansmoment van de wettelijke regresvordering,4 namelijk enkel door de draagplicht contractueel vorm te geven.5 Daarvan moet worden onderscheiden de mogelijkheid voor partijen om contractuele regresvorderingen in het leven te roepen.6
Is een regresvordering ontstaan, dan is zij in de regel ook onmiddellijk opeisbaar (art. 6:38 BW), tenzij een later moment voor nakoming is overeengekomen.7 Hoewel de regresvordering een schadevergoedingsvordering is,8 treedt het verzuim niet van rechtswege in op grond van art. 6:83 sub b BW. Die bepaling is beperkt tot schadevergoedingsvorderingen uit onrechtmatige daad of wanprestatie, terwijl de regresvordering bij hoofdelijke verbondenheid niet onder deze categorieën kan worden geschaard.9 Het is dus wel een schadevergoedingsvordering, maar niet een schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad of wanprestatie als bedoeld in art. 6:83 sub b BW.10 Voor het intreden van het verzuim – en daarmee voor het verschuldigd worden van wettelijke rente (art. 6:119 BW) – is dus in beginsel een ingebrekestelling nodig (art. 6:81 jo. 6:82 BW).11
Indien een hoofdelijk schuldenaar een deel van de schuld voldoet waarvoor hoofdelijke verbondenheid bestaat, ontstaat soms wel en soms geen regresvordering. Zo lang (het totaal aan) de door een schuldenaar verrichte deelprestaties zijn draagplicht niet overschrijdt, ontstaat er geen regresvordering; de regresvordering ontstaat pas indien en voor zover de draagplicht van de presterende schuldenaar is overschreden.12
Indien A recht heeft op € 1 miljoen aan schadevergoeding van B en C, die hoofdelijk verbonden zijn, terwijl beiden voor 50% draagplichtig zijn, dan kan B na betaling van € 400.000 dus geen regres nemen op C. Betaalt hij vervolgens nog€ 300.000, dan heeft hij voor € 200.000 regres op C. De regresmogelijkheid van B is dus niet afhankelijk van de door hem verrichte prestatie, maar van het totaal van de door hem verrichte prestaties. Pas bij overschrijding van zijn draagplicht is de ‘regresdrempel’13 overschreden.
Ook andere benaderingen waren denkbaar geweest. Zo zou men de presterende schuldenaar kunnen toestaan voor iedere deelbetaling regres te nemen. Anderzijds zou men de presterende schuldenaar ook pas tot regres kunnen toelaten indien hij de volledige schuld heeft voldaan. Aan die laatste opvatting kleeft het nadeel dat niet altijd duidelijk zal zijn wat de omvang is van de schuld waarvoor de schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, in welk geval de presterende schuldenaar een groot risico loopt indien hij presteert, omdat hij geen regres kan nemen indien hij aannemelijk maakt dat de volledige schuld is voldaan. Voor de opvatting dat de presterende schuldenaar voor iedere deelbetaling regres kan nemen, ongeacht of zijn draagplicht is overschreden, valt echter wel wat te zeggen. Wordt één hoofdelijk schuldenaar extern aangesproken voor een bedrag dat correspondeert met zijn interne draagplicht, en laat de schuldeiser na om de overige schuldenaren voor het restant aan te spreken, dan komt het voldane deel van de schuld uiteindelijk volledig voor rekening van de schuldenaar die presteerde.
Heeft A een vordering op B, C en D van € 1 miljoen, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, dan leidt indien B voor 50% draagplichtig is, C voor 30% en D voor 20%, betaling van € 500.000 door B aan A niet ertoe dat B verhaal kan nemen op C en D. De regresdrempel is dan immers niet overschreden. Ziet A vervolgens af van verhaal op C en D, dan draagt B het voldane deel van de schuld (€ 500.000) dus volledig zelf.
In deze situatie is het bepaald zuur te noemen voor de presterende schuldenaar dat hij geen verhaal kan nemen. De verrijkingsgedachte die aan regres ten grondslag ligt,14 biedt hiervoor in ieder geval onvoldoende rechtvaardiging. Op grond daarvan kan men immers zowel betogen dat bij betaling door de presterende schuldenaar in zoverre sprake is van een verrijking van de overige schuldenaren (hun schuld neemt op grond van art. 6:7 lid 2 BW immers in zoverre ook af), als dat geen sprake is van enige verarming door de presterende schuldenaar omdat hij slechts dat deel van de schuld voldeed waarvoor hij ook draagplichtig was.
Het moment waarop de wettelijke regresvordering tot bijdragen in de kosten ontstaat (art. 6:10 lid 3 BW), kan afwijken van het hiervoor besproken ontstaansmoment. Zo kan enerzijds één van de hoofdelijk schuldenaren kosten hebben gemaakt zónder dat hij zijn draagplicht had overschreden, bijvoorbeeld omdat hij al proceskosten heeft moeten maken terwijl hij de schuld waarvoor hij hoofdelijk verbonden is, (nog) niet heeft voldaan. Anderzijds kan een presterende hoofdelijk schuldenaar ook nádat hij de schuld heeft voldaan voor meer dan zijn draagplicht, nog kosten maken waarin hij bijdrage kan vorderen. De wettelijke regresvordering tot bijdragen in de kosten ontstaat in beide gevallen op het moment waarop die kosten zijn gemaakt.15
152. Ontstaansmoment en verjaring (wettelijke regresvorderingen).16 Nauw verwant aan het ontstaansmoment van de regresvordering is het moment waarop de verjaringstermijn (van de aan die vordering verbonden rechtsvordering)17 een aanvang neemt. Omdat een regresvordering – in ieder geval wat betreft toepassing van de verjaringsregels – wordt gezien als schadevergoedingsvordering,18 regelt art. 3:310 lid 1 BW de verjaring van de daaraan verbonden rechtsvordering.19 De daarin vervatte subjectieve verjaringstermijn neemt een aanvang indien de schuldeiser voldoende bekendheid heeft met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon; de benadeelde moet “daadwerkelijk” in staat zijn zijn rechtsvordering in te stellen.20 Aangezien die rechtsvordering pas ontstaat op het moment waarop de regresvordering opeisbaar wordt, kan de verjaringstermijn niet eerder een aanvang nemen dan het moment waarop de regresvordering is ontstaan én opeisbaar is geworden, “ook indien voordien reeds bekend is dat de schade geleden zal worden en wie de aansprakelijke persoon is”.21
Indien de presterende hoofdelijk schuldenaar de schuld niet ineens, maar in delen heeft voldaan, rijst de vraag of de verjaringstermijn voor de daaruit voortvloeiende regresvorderingen op één moment aanvangt, of ‘deel voor deel’. De feiten die ten grondslag lagen aan het ASR/Achmea kunnen dit illustreren. Het ging hier om een totale schuld van € 602.335, waarvoor de bij Achmea en ASR verzekerde partijen hoofdelijk aansprakelijk waren. Achmea voldeed de schuld aan het slachtoffer in twee deelbetalingen: in 2005 werd € 453.780 (ƒ 1 miljoen) uitgekeerd en op 20 juli 2007 werd het restant (€ 148.555) voldaan. Al ten tijde van de eerste deelbetaling stond vast dat de totale schade € 602.335 bedroeg. Brengt dit mee dat de verjaringstermijn voor alle regresvorderingen van Achmea op dat moment al een aanvang neemt, of neemt de verjaringstermijn voor de regresvordering ten aanzien van het restant pas een aanvang na uitkering van dat restant? Uit het arrest ASR/Achmea volgt mijns inziens dat iedere regresvordering afzonderlijk verjaart. De ‘afzonderlijke elementen-leer’, die voor schadevergoedingsvorderingen meebrengt dat een rechtsvordering tot vergoeding van toekomstige schade soms al een aanvang neemt vóórdat die schade(post) is ontstaan,22 geldt voor regresvorderingen dus niet.23