Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.7.3
2.7.3 Structuurregeling
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS391748:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor verwijzingen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 6.
Rapport Commissie Verdam 1964, p. 98-129.
SER-advies De Herziening van het Ondernemingsrecht 1969/14 van 19 september 1969, bron:
Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Koophandel inzake voorzieningen met betrekking tot de structuur der naamloze en besloten vennootschap,Kamerstukken II, 1969/70, 10 751, nr. 3, p. 1-2.
In deze zin ook Raaijmakers Th. 2006, p. 315.
SER-advies herziening ondernemingsrecht 1969, p. 5-6.
Zoals bekend markeerde het rapport van de Commissie Verdam het begin van de ontwikkeling die uiteindelijk zou leiden tot invoering van de structuurregeling en tot herziening van enkele andere wetten op het gebied van het vennootschapsrecht. Zo kreeg onder meer het enquêterecht, dat sinds de invoering in het WvK 1929 vanwege een gebrek aan op te leggen sancties en vanwege de in de wet voorgeschreven kostenverdeling feitelijk een slapend bestaan had geleid, een herziene wettelijke regeling. Ook op andere gebieden leidden de bevindingen van de Commissie Verdam tot wetgevingsinitiatieven. De voorstellen van de Commissie Verdam zijn afzonderlijk voorgelegd aan de SER, die tussen 1966 en 1969 over de voorstellen heeft geadviseerd,1 daarna zijn de betreffende voorstellen van wet ingediend. Het advies van de SER over de door de Commissie Verdam voorgestelde structuurwijzigingen van de N.V.2 verscheen uiteindelijk pas in september 1969.3 Dat de SER er meer vier jaar over heeft gedaan om tot een eenstemmig advies betreffende dit voorstel te komen werd in de Memorie van Toelichting bij het betreffende wetsvoorstel toegeschreven aan een “aanvankelijk onoverbrugbaar schijnend verschil van inzicht” binnen de SER.4 Waaraan het aanvankelijk onoverbrugbare verschil van inzicht moet worden toegeschreven werd in het SER-advies en in de toelichting op het daaropvolgende wetsvoorstel niet expliciet vermeld. Gelet op de inhoud van het betreffende voorstel van de Commissie Verdam (uitbreiding bevoegdheden RvC en verplicht benoemingsrecht werknemers voor één of twee commissarissen) ligt de conclusie voor de hand dat deze voorstellen voor de werkgeversleden van de SER onacceptabel waren, terwijl de werknemersleden mogelijk op nog verdergaande voorstellen zinden.
Dat de SER zich in het uiteindelijke advies grotendeels achter het voorstel van de Commissie Verdam heeft geschaard, wijst op een (vrijwel volledige) tournure aan de zijde van de werkgevers. Ook de reden voor deze ommezwaai wordt in het eindrapport niet expliciet vermeld. De opmerkingen in de inleiding van het rapport over maatschappelijke ontwikkelingen en een algemeen gevoel van onbehagen zijn echter veelzeggend. Het heeft er alle schijn van dat de werkgeversvertegenwoordigers binnen de SER in het licht van de maatschappelijke opstanden van 1968 in binnen- en buitenland een pragmatische draai hebben willen maken met het oogmerk om erger te voorkomen.5 Illustratief is het volgende citaat uit de inleiding: “Thans staat men voor de opgave de organisatie van de voortbrenging opnieuw aan te passen aan de zich wijzigende behoeften van de samenleving, meer in het bijzonder als gevolg van enerzijds de gewijzigde positie van de onderneming in de maatschappij en van veranderende machtsverhoudingen binnen de onderneming, anderzijds van de omstandigheid dat de bij die voortbrenging betrokken mensen tot hogere ontwikkeling en tot grotere maatschappelijke mondigheid komen. Hieruit zijn spanningen en gevoelens van onbehagen en machteloosheid voortgevloeid, die nog worden versterkt doordat in vergelijking met vroegere perioden veel grotere groepen van de bevolking, en dus ook van de werknemers, de sociaal-economische situatie bewuster beleven. (…). Voorts heeft een meer algemeen en geaccentueerd gelijkheidsstreven voor vele groepen nieuwe, gevarieerde aspiratiepatronen doen ontstaan. Van de door dit alles veroorzaakte kritische instelling maakt die ten opzichte van de ondernemingsstructuur dus een deel uit.”6 Tussen de regels door beschrijft dit citaat een revolutionaire geest. Teneinde die geest in de fles te houden, nam de SER inclusief het smaldeel van de werkgevers alsnog de voorstellen van de Commissie Verdam van vier jaar eerder over. Hiermee was de belangenverbreding binnen de grote N.V. definitief een feit.