Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.3.3.2:4.3.3.2 Vernietiging, verlies of diefstal van met het oog op belaste prestaties aangeschafte goederen, voordat zij gebruikt zijn
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.3.3.2
4.3.3.2 Vernietiging, verlies of diefstal van met het oog op belaste prestaties aangeschafte goederen, voordat zij gebruikt zijn
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS298345:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de casus van het Hof Amsterdam 27 mei 2002, nr. 01/2189, V-N 2002/52.21, dat handelt over een verzekeringsmaatschappij die in verband met een naamswijziging niet gebruikt briefpapier ter vernietiging levert aan een recyclingsbedrijf.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 184, btw-richtlijn bepaalt dat de oorspronkelijk toegepaste aftrek herzien moet worden indien deze hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen. Op grond van deze bepaling zal een belastingplichtige die alle voorbelasting in aftrek heeft gebracht omdat hij de aangeschafte goederen beoogt te gebruiken voor belaste prestaties, de oorspronkelijk in aftrek gebrachte btw in beginsel op grond van art. 184 weer verschuldigd worden wanneer gebruik voor belaste prestaties later uitgesloten blijkt in verband met vernietiging, verlies of diefstal van de goederen. Art. 185, lid 2, btw-richtlijn bepaalt echter:
2. In afwijking van lid 1 vindt geen herziening plaats voor handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, in geval van naar behoren bewezen en aangetoonde vernietiging, verlies of diefstal, alsmede in geval van de in artikel 16 bedoelde onttrekking voor het verstrekken van geschenken van geringe waarde en van monsters.
In geval van geheel of gedeeltelijk onbetaald gebleven handelingen en in geval van diefstal, kunnen de lidstaten evenwel herziening eisen.
Dus op grond van de eerste zin van art. 185, lid 2, hoeft de aftrek niet herzien te worden als de aangeschafte goederen niet voor belaste prestaties gebruikt kunnen worden omdat ze vernietigd worden, verloren gaan of gestolen worden (mits naar behoren bewezen). Op dit uitgangspunt wordt in de tweede zin weer gedeeltelijk teruggekomen: in geval van diefstal kunnen de lidstaten wel herziening eisen. De achtergrond hiervan is onduidelijk. In de toelichting op het voorstel voor een Zesde richtlijn is hierover niets te vinden.
Duidelijk is in ieder geval dat de richtlijngever het te ver vond gaan dat een belastingplichtige de in aftrek gebrachte voorbelasting moest terugbetalen wanneer de aangeschafte goederen door deze bijzondere omstandigheden buiten zijn wil niet voor belaste prestaties gebruikt konden worden. In deze bijzondere omstandigheden staat overigens vast dat de goederen blijvend aan het reguliere handelsverkeer zijn onttrokken. Bij vernietiging is het uitgesloten en bij verlies is het onwaarschijnlijk dat de goederen in de consumptieve sfeer terecht komen. Bij diefstal is dat echter zeker niet uitgesloten. Dat zal waarschijnlijk de reden zijn dat de richtlijngever het de lidstaten toestaat bij diefstal wel herziening te eisen. Vernietiging kan buiten de wil van de belastingplichtige plaatsvinden (denk aan een brand) maar de belastingplichtige kan ook zelf het initiatief nemen tot vernietiging (denk aan een ondernemer die onverkoopbare of onbruikbare voorraad vernietigt1). Omdat de in art. 185, lid 2, btw-richtlijn genoemde omstandigheden ‘verlies’ en ‘diefstal’ omstandigheden zijn die buiten de wil van de belastingplichtige plaatsvinden ga ik ervan uit dat de richtlijn-gever met de eveneens in art. 185, lid 2, btw-richtlijn genoemde omstandigheid ‘vernietiging’ niet het oog heeft gehad op vernietiging op het initiatief van de belastingplichtige zelf.