Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.8.7.3.4:9.8.7.3.4 Verlies 403-vordering door onteigende hoofdvordering
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.8.7.3.4
9.8.7.3.4 Verlies 403-vordering door onteigende hoofdvordering
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648724:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 11 juli 2013 (OK), JOR 2013/250, r.o. 6.52.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136; NJ 2002/447, r.o. 3.4.6.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140; NJ 2015/361, r.o. 4.30.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140; NJ 2015/361, r.o. 4.30.
A-G Timmerman, PHR 10 oktober 2014, randnummer 10.4
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Ondernemingskamer is van mening dat de schuldeisers hun 403-vorderingen zijn kwijtgeraakt, omdat de hoofdvorderingen zijn onteigend. De Ondernemingskamer overweegt daartoe het volgende:1
“de Ondernemingskamer [is] van oordeel dat de achtergestelde crediteuren van SNS Bank na de onteigening in ieder geval – anders dan sommige belanghebbenden verdedigen (bijvoorbeeld verweerschrift Unipol c.s. 4.11 en volgende en VEB c.s. onder 11.12) of openhouden (Alpha Value c.s. 87 en volgende) – geen vordering meer hebben uit hoofde van deze 403-verklaring op SNS Reaal zelf. Of men in het geval van de onteigening van vermogensbestanddelen de passieve zijde van het vorderingsrecht of – materieel gezien – de vordering zelf als het voorwerp van die onteigening beschouwt (zie hiervoor), die onteigening omvat ook de daarmee verbonden vordering uit hoofde van de 403-verklaring.”
In de Akzo/ING zaak heeft de Ondernemingskamer zich op het standpunt gesteld dat de 403-aansprakelijkheid het karakter draagt van borgtocht. Daarvoor is de Ondernemingskamer door de Hoge Raad op de vingers getikt. De Hoge Raad vond deze uitleg “onbegrijpelijk”.2 In de schadeloosstellingsprocedure met betrekking tot de onteigening van de vorderingen op SNS Bank en SNS Reaal waagt de Ondernemingskamer een nieuwe poging. Dit keer gaat de Ondernemingskamer een stapje minder ver. De Ondernemingskamer oordeelt niet dat een 403-aanspraak kan worden aangemerkt als borgtocht maar de Ondernemingskamer dicht de 403-vordering wederom een afhankelijk karakter toe. Doordat de hoofdvordering is onteigend, zijn de schuldeisers de beschikking over de 403-vordering verloren. Dit past bij een zekerheid die kwalificeert als borgtocht en is in strijd met de regels van hoofdelijkheid.
Gezien de positie die de Hoge Raad innam in de Akzo/ING-zaak, viel te verwachten dat tegen het oordeel van de Ondernemingskamer cassatie zou worden ingesteld. En dat gebeurt ook. In cassatie wordt geklaagd dat ten onrechte is geoordeeld dat de schuldeisers hun 403-vorderingen zijn kwijtgeraakt doordat de aanspraken op grond van de verklaring van SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring zijn onteigend, dan wel dat de onteigening mede omvat de vordering uit hoofde van de 403-verklaring.3 Met dit oordeel lijkt de Ondernemingskamer een afhankelijk karakter aan de 403-vordering toe te dichten. Het is niet te verwachten dat de Hoge Raad dit oordeel in stand zal laten. Verrassend genoeg doet de Hoge Raad dit wel. In het arrest van de Hoge Raad wordt voor de onderbouwing van deze afwijzing verwezen naar de conclusie van de A-G:4
“De klachten falen op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10.4-10.5.”
In de conclusie van A-G Timmerman wordt de volgende onderbouwing gegeven voor het verlies van de 403-vorderingen:5
“Onderdelen 1 en 2 falen. De Ondernemingskamer heeft namelijk in rov. 6.52 vooropgesteld dat SNS Reaal zich met de 403-verklaring aansprakelijk heeft verklaard voor de uit de rechtshandelingen van SNS Bank voortvloeiende schulden. Dit betekent volgens de Ondernemingskamer dat de achtergestelde crediteuren van SNS Bank, na de onteigening van hun vordering op SNS Bank in elk geval ook geen vordering meer hebben op SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring (zie rov. 6.52). Zij vallen na de onteigening namelijk niet meer onder de reikwijdte van de 403-verklaring. Dat laatste geldt – aldus de Ondernemingskamer – zowel indien men uitgaat van onteigening van de passieve zijde van de achtergestelde vorderingen (en SNS Bank dus niet langer de debiteur is) als wanneer men uitgaat van onteigening van de actieve zijde van de achtergestelde vorderingen (en de aanvankelijke achtergestelde crediteuren derhalve niet langer schuldeiser zijn van SNS Bank) (zie rov. 6.52, slotzin; vgl. ook rov. 5.16). Dit is m.i. een juiste redenering.”
Deze overweging die volledig door de Hoge Raad wordt gevolgd, mag tegen het licht van het arrest inzake Akzo/ING opmerkelijk worden genoemd. In het Akzo/ING-arrest oordeelde de Hoge Raad nog dat een 403-vordering als een zelfstandige vordering moest worden gezien en dat het op één lijn stellen daarvan met borgtocht was uitgesloten. In de kwestie rondom de onteigening van de vorderingen op SNS Bank worden de 403-vorderingen als van de hoofdvordering afhankelijke vorderingen beschouwd. De afhankelijkheid die door de Hoge Raad wordt aangenomen, is onverenigbaar met de wezenskenmerken van hoofdelijkheid. Het zijn wezenlijke kenmerken van borgtocht. Hinkt de Hoge Raad dan toch op twee gedachten?