Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.5.1
9.8.5.1 Een complementaire bevoegdheid
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS374602:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rood (1996), p. 226.
Sprengers (2005), p. 31.
Van der Heijden (2004), p. 105-106.
SER-advies 2003/12, p. 69. Zie ook Timmerman (2004), p. 6.
Zie Het Hugo Sinzheimer Instituut in haar reactie (p. 4) op de internetconsultatie conceptwetsvoorstel aanpassing enquêterecht (te raadplegen op: www.internetconsultatie.nl/enqueterecht) en SER-advies 1988/14, p. 69.
Sprengers (2005), p. 10.
Het zwaartepunt van de wettelijke bevoegdheden ten aanzien van het ondernemingsbeleid van Nederlandse ondernemingen ligt bij de ondernemingsraad. Zie Sprengers (2005), p. 31.
In gelijke zin Sprengers (2005), p. 30-31. Ook Rood is er voorstander van om in aanvulling op het enquêterecht van de vakbonden aan de ondernemingsraad eenzelfde recht toe te kennen vanwege een sterke rechtvaardigheidsnotie en doelmatigheidsoverwegingen. Hij is van mening dat voor beide een plaats in het enquêterecht is weggelegd. Zie Rood (1996), p. 228-229.
Uit onderzoek blijkt dat de naleving van regels uit de WOR sinds 2005 is gedaald. Het aantal ondernemingen met vijftig of meer werknemers dat een ondernemingsraad instelt, daalt. En het aantal ondernemingen met meer dan honderd werknemers stelt ook niet in 100% van de gevallen een ondernemingsraad in. Zie Kabinetsstandpunt Medezeggenschap 2009, p. 3.
Zie § 9.8.4.7.
SER-advies 1988/14, p. 69 en SER-advies 2003/12, p. 68 e.v.
Vakbonden houden zich doorgaans bezig met het behartigen van werknemersbelangen op macro- of meso-niveau.1 Wanneer het gaat om het behartigen van werknemersbelangen op ondernemingsniveau treedt de ondernemingsraad op. Het zwaartepunt van de wettelijke bevoegdheden ten aanzien van het ondernemingsbeleid van Nederlandse onderneming ligt bij de ondernemingsraad.2 Het uitoefenen van invloed op belangrijke beleidsbeslissing van een onderneming behoort zodoende niet tot een van de doelstellingen van de vakbonden.3 Mede hierdoor beschikken vakbonden vaak over weinig informatie van ondernemingen. Daarentegen verkeert de ondernemingsraad door zijn duurzame betrokkenheid bij de gang van zaken en het beleid van de onderneming in een uitstekende positie om vroegtijdig ernstige problemen en patstellingen te onderkennen.4 De omstandigheid dat de ondernemingsraad een ‘insider’ is en in een vroeg stadium bekend raakt met problemen binnen de onderneming zorgt er tevens voor dat de ondernemingsraad onjuist beleid op een minder afstandelijke wijze benadert dan vakbonden.5 Dit pleit mijns inziens voor het toekennen van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad.
Het belang dat de vakbonden bij hun enquêtebevoegd behouden, blijft overeind. De meer onafhankelijke positie die vakbonden innemen ten opzichte van het ondernemersbeleid, maakt dat de enquêtebevoegdheid van de vakbond naast die van de ondernemingsraad meerwaarde heeft.6 Voorbeelden hiervan vormen het optreden van de vakbonden in de zorgsector in de Meavita-beschikking en in de commerciële sector in de PCM-beschikking, waaruit tevens blijkt dat het optreden van vakbonden vooralsnog zeer selectief is in vooral spraakmakende en principiële zaken. Een wettelijke enquêteregeling die uitgaat van een taakverdeling tussen de vakbonden en de ondernemingsraad sluit daarom goed aan bij de arbeidsverhoudingen binnen Nederland.7 De Grondwet waarborgt ook twee wijzen waarop werknemers zich in hun belangen kunnen laten vertegenwoordigen, de waarborg van het (vak) verenigingsrecht van art. 8 GW en de waarborg van de medezeggenschap van art. 19, tweede lid GW. Het enquêterecht van de vakbond en hetzelfde gewenste recht voor de ondernemingsraad zijn mijns inziens complementair aan elkaar. Het voorkomt dat er lacunes bestaan bij de behartiging van (collectieve) werknemersbelangen. Een enquêterecht voor de ondernemingsraad naast dat van de vakbonden leidt tot een betere vertegenwoordiging van de factor arbeid in het enquêterecht.8 In die gevallen waarin geen ondernemingsraad is ingesteld, omdat de wettelijke verplichting daartoe niet wordt nageleefd, gaat de toegang tot het enquêterecht van de werknemers niet verloren.9 Hetzelfde geldt voor die gevallen waarin de vakbonden niet of nauwelijks vertegenwoordigd zijn in de onderneming die aan rechtspersoon is verbonden. Zoals ik eerder schreef, lijken vakbonden het gebruik van het enquêterecht afhankelijk te stellen van de organisatiegraad van werknemers binnen de onderneming die aan de rechtspersoon is verbonden. Die organisatiegraad bedraagt eind 2017 nog slechts 10%.10
Tot slot laat het feit dat de werknemersleden van de SER voor toekenning van enquêterecht aan de ondernemingsraad pleiten, naar mijn mening zien dat de vakbonden zelf inmiddels ook niet meer tegen een rol van de ondernemingsraad in het enquêterecht zijn.11