Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.2
9.8.2 Een terugblik
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS379451:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 9.2.2.
Idem: Rood (2000), p. 304 e.v.
De WOR 1950 beschouwde de ondernemingsraad wel als zo’n orgaan. Zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* (2015), nr. 611
Asser-Maeijer 2-III (2000), nr. 453; Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 3 (MvT), p. 13- 214 en de tekst van art. 2 lid 1 WOR 1971, waarin dit karakter tot uitdrukking is gebracht.
Zie ook Peters, diss. (2006), p. 39.
Wet van 5 juli 1979, Stb. 448. Inwerking getreden op 1 september 1979.
Sinds 1 oktober 2004 heeft de ondernemingsraasd van een structuurvennootschap een versterkt aanbevelingsrecht: voor een derde van het aantal leden van de raad van commissarissen geldt dat de raad van commissarissen een door de ondernemingsraad aanbevolen persoon op voordracht plaatst (art. 2:158 lid 6 en 2:268 lid 6 BW).
OK 13 november 1980, NJ 1981/258 en 26 juni 1986, NJ 1987/976 (jaarrekeningprocedures). In kort geding: Pres. Rb. Haarlem 19 februari 1988, KG 1988/133 waarin de wederpartij ook werd veroordeeld tot het betalen van een dwangsom aan de ondernemingsraad; Pres. Rb. Zwolle 10 maart 1989, KG 1989/147 en Pres. Rb. Utrecht 14 augustus 1990, KG 1990/287 (Baxter). In het enquêterecht: OK 13 maart 2003, NJ 2003/248 en JOR 2003/85 (Corus); OK 17 januari 2007,JOR 2007/42 (Stork); OK 20 mei 2008, JOR 2008/158 (ASMI), waarin de ondernemingsraden van Corus, Stork en ASMI optreden als belanghebbenden en geen verweer wordt gevoerd tegen de ontvankelijkheid van de ondernemingsraad als belanghebbende.
Over de positie van de ondernemingsraad in het enquêterecht is vanaf de eerste herziening van het enquêterecht in de jaren zestig veel van doen geweest. De Commissie Verdam meent in 1964 dat het enquêterecht niet aan de ondernemingsraad moet toekomen, omdat het een college is voor overleg en beraad. Een praktisch bezwaar was voorts dat de ondernemingsraad niet beschikt over rechtspersoonlijkheid.1
De rol die de ondernemingsraad inneemt binnen de onderneming en het ondernemingsrecht is sindsdien veranderd.2 Zo zijn de bevoegdheden van de ondernemingsraad met de wijziging van de WOR in 1971 en 1979 sterk uitgebreid. De WOR 1971 beschouwt de ondernemingsraad niet langer als een orgaan van overleg en samenwerking waarin gemeenschappelijke belangen gezamenlijk worden behartigd.3 De ondernemingsraad krijgt een dualistisch karakter: enerzijds dient hij het belang van het goed functioneren van de onderneming en al haar doelstellingen waarbij hij de werknemers vertegenwoordigt en zonodig de specifieke werknemersbelangen behartigt, anderzijds dient hij als overlegorgaan tussen de vertegenwoordiging van de onderneming en de bij haar werkzame personen.4 De ondernemingsraad is voortaan dus tegelijkertijd overlegorgaan en personeelsvertegenwoordiging. Om de personeelsvertegenwoordigende functie goed tot zijn recht te laten komen, krijgt de ondernemingsraad in de WOR 1971 een medebeslissingsrecht ten aanzien van bepaalde arbeidsvoorwaarden (art. 27 WOR) en wordt zijn adviesbevoegdheid vergroot, in het bijzonder op financieel-economisch terrein (art. 25 WOR). Daarnaast wordt het recht op informatie uitgebreid (art. 24 lid 2 en 4 WOR) en een regeling opgenomen ter bescherming van de rechtspositie van de gekozen ondernemingsraadleden (art. 21 WOR).5
Het rechtsmiddel waarmee de werknemer daadwerkelijk kan opkomen tegen de ondernemer, komt pas in de wet bij de invoering van de WOR 1979.6 De ondernemingsraad krijgt een beroepsrecht (art. 26 WOR) tegen besluiten van de ondernemer zoals bedoeld in art. 25 WOR. Met de wet van 1979 verandert ook de samenstelling van de ondernemingsraad. De bestuurder van de onderneming maakt er geen onderdeel meer van uit. Dit geeft de ondernemingsraad een meer onafhankelijke positie tegenover het bestuur. Tevens versterkt de wet van 1979 de zelfstandigheid van de ondernemingsraad door de bepaling dat dit orgaan uitsluitend kan bestaan uit door werknemers gekozen leden (art. 6 WOR).
Niet alleen de WOR kent bevoegdheden toe aan de ondernemingsraad. De structuurregeling geeft de ondernemingsraad bevoegdheden om de samenstelling van de raad van commissarissen te beïnvloeden bij de structuurvennootschap.7 Daarnaast heeft de ondernemingsraad een rol bij de juridische fusie (art. 2:314 lid 2 BW) en in het enquêterecht (art. 2:349 lid 2 BW). Voorts beschikt de ondernemingsraad over de mogelijkheid om juridische procedures te voeren. Zo is de ondernemingsraad als procespartij toegelaten in jaarrekeningprocedures, in diverse procedures in kort geding en als belanghebbende in enquêteprocedures.8
Al deze wettelijke regelingen geven de ondernemingsraad verdergaande rechten dan overleg en beraad, zoals de Commissie Verdam in 1964 voor ogen stond. Dit argument is derhalve niet meer van deze tijd. Het tweede argument dat de ondernemingsraad niet beschikt over rechtspersoonlijkheid is nog steeds, althans op het eerste gezicht, van betekenis en behoeft nadere bespreking. Ik kom hierop terug in § 9.8.4.1.