Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/8.10.1
8.10.1 Uitgangspunt: groep is geen normplichtige van artikel 2:10 BW
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180339:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2004, r.o. 8.11.2, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR5637, JOR 2004/292 (Van Gils), Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2015, r.o. 8.6.3, ECLI:NL:GHSHE:2015:2008, JOR 2015/227, m.nt. T. Hekman en M.J.F. Goethals (Aino), Gerechtshof ’s-Gravenhage 22 augustus 2017, r.o. 4.9, ECLI:NL:GHDHA:2017:2317, JOR 2017/317, m.nt. C.M. Harmsen (Soxx), Rechtbank Breda 10 juni 1997, r.o. 3.19, ECLI:NL:RBBRE:1997:AG3105, JOR 1997/95, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Van Gils), Rechtbank Midden-Nederland 19 juni 2013, r.o. 8.2.9, ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3225, JOR 2013/237, m.nt. U.B. Verboom (Landis), Rechtbank Oost-Brabant 30 maart 2016, r.o. 2.6, ECLI:NL:RBOBR:2016:1431, JOR 2016/153 (Aino).
C.M. Harmsen, ‘Accountantsverklaring garantie nakoming administratieplicht?’, in: M.J. Kroeze e.a., Verantwoording aan Hans Beckman, Deventer: Kluwer 2006, p. 191-201, E.M. van Hengel, ‘De administratieplicht ex artikel 2:10 BW nader bezien’, V&O 2015/03, J.B. Huizink, ‘Kennen wij een geconsolideerde administratieplicht?’, TvJ 2016/2, M.J.F. Goethals en T. Hekman, ‘De administratieplicht van het bestuur bij holdingmaatschappijen’, FIP 2016/333, J.B. Huizink, ‘De administratieplicht van art. 2:10 BW voor groepsmaatschappijen’, TvI 2017/16, J. Verstoep, ‘Moet wie administratie zegt ook boekhouding in concernverband zeggen?’,MvO 2018/8-9, B.M. Katan, ‘Toerekening van kennis van groepsvennootschappen’, Ondernemingsrecht 2019/60.
Zie onder meer Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR5637, JOR 2004/292 (Van Gils) en M.J.F. Goethals en T. Hekman, ‘De administratieplicht van het bestuur bij holdingmaatschappijen’, FIP 2016/333.
Zie onder meer Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2008, JOR 2015/227, m.nt. T. Hekman en M.J.F. Goethals (Aino) en J.B. Huizink, ‘De administratieplicht van art. 2:10 BW voor groepsmaatschappijen’, TvI 2017/16.
In paragraaf 5.5. concludeerde ik dat bij gebrek aan rechtspersoonlijkheid artikel 2:10 BW zich niet richt tot een groep als bedoeld in artikel 2:24b BW.
Ondanks het feit dat een groep geen normplichtige is van artikel 2:10 BW is in procedures in faillissementssituaties aan de orde geweest of de op een groepshoofd rustende administratieplicht van artikel 2:10 BW inhoudt dat de administratie van het groepshoofd ook inzicht moet geven in het vermogen, de resultaten en de werkzaamheden van de groepsmaatschappijen.1 Ook in de literatuur heeft dit onderwerp de laatste jaren aandacht gekregen.2 De uiterste opvattingen met betrekking tot de administratieplicht in groepsverband zijn vertegenwoordigd in twee uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Inzake Landis is erkend dat het hebben van inzicht in de vermogenstoestand van de dochters noodzakelijk is om centrale leiding te kunnen uitoefenen. Uit het feit dat uit de administratie van de dochter geen snel en voldoende betrouwbaar inzicht in haar vermogenspositie kan worden verkregen, wordt geconcludeerd dat dan ook de moedervennootschap geen voldoende inzicht kan hebben in de dochtervennootschap.3 Inzake Aino is geoordeeld dat de administratie van een rechtspersoon die aan het hoofd van een groep staat naast een redelijk inzicht in haar eigen vermogenspositie niet tevens een voldoende betrouwbaar inzicht in het vermogen en resultaat van haar dochtermaatschappijen behoeft te geven.4
Hierna onderzoek ik in hoeverre het bestaan van een zogenoemde groepsadministratieplicht – waarbij de administratie van het groepshoofd ook voldoende inzicht moet geven in de vermogensbestanddelen en de werkzaamheden van de groepsmaatschappijen – gerechtvaardigd is, gegeven de taak van het bestuur in concernverhoudingen en in hoeverre dit in te passen is in het wettelijk systeem van artikel 2:10 BW. Daarbij komen ook beide hiervoor genoemde uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch aan de orde.