Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/2.3.3
2.3.3 Indirecte horizontale werking
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931145:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor, nr. 24. Zie voorts Hartkamp 2014/11-12; Hartkamp 2017, p. 6-10; en Asser/Hartkamp 3-I 2023/17-21.
Wissink 2001; Prechal 2005, p. 180-215.
Zie HvJEG 10 april 1984, C-14/83, ECLI:EU:C:1984:153, Jur. 1984, p. 01891 (Von Colson en Kamann), r.o. 15 en 28. Zie voorts uitgebreid Wissink 2001 en voorts Asser/Hartkamp 3-I 2023/181 e.v.
Zie uitgebreid Wissink 2001 en Prechal 2005, p. 180-215.
Vgl. bijvoorbeeld HvJEU 16 februari 2017, C-219/15, ECLI:EU:C:2017:128, NJ 2018/123, m.nt. S.D. Lindenbergh (Schmitt/TÜV), r.o. 58 e.v., waarover Verbruggen 2018, p. 850. Zie voorts Asser/Hartkamp 3-I 2023/158, en Asser/Sieburgh 6-IV 2019/76: “De rechter die een open norm zoals de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 lid 2 BW dient te concretiseren, zal de behoefte voelen naar zo veel mogelijk objectieve aanknopingspunten voor zijn beslissing te zoeken. Als zodanig komen in aanmerking verdrags-, richtlijn- en wetsbepalingen die betrekking hebben op gedragingen waarmee de gedraging, waarvan de onrechtmatigheid wordt ingeroepen, verwantschap vertoont (…).”
Zie bijvoorbeeld HvJEU 19 januari 2010, C-555/07, ECLI:EU:C:2010:21, Jur. 2010, p. I-00365; NJ 2010/256, m.nt. M.R. Mok (Kücükdeveci), r.o. 51-55. Zie voor de inhoud van deze verplichting Wissink 2001/132 e.v.; Wissink 2014/3.1-3.4; Lenaerts & Van Nuffel 2023/806-808.
Zie onder meer Wissink 2001, p. 201-206; Wissink 2014/6.2; en Aronstein 2019/28. Vgl. Asser/Hartkamp 3-I 2023/185.
Zie hiervoor, nr. 24.
Van Leuken 2015/121 e.v.
Zie HvJEG 14 december 1995, gevoegde zaken C-163/94, C-165/94 and C-250/94, ECLI:EU:C:1995:451, Jur. 1995, p. I-4821; NJ 1997/35 (Sanz de Lera), r.o. 43. Zie ook Van Leuken 2015/54.
Zie HvJEG 9 maart 1978, C-106/77, ECLI:EU:C:1978:49, Jur. 1978, p. 629 e.v.; NJ 1978/656 (Simmenthal), r.o. 24 (ten aanzien van strijd van een nationale wettelijke regeling met richtlijnbepalingen); HvJEG 19 juni 1990, C-213/89, ECLI:EU:C:1990:216, Jur. 1990, p. I-02433; NJ 1992/761 (Factortame I), r.o. 21-23 (ten aanzien van strijd van een nationale wettelijke regeling met non-discriminatiebepalingen); HvJEU 18 december 2007, C-341/05, ECLI:EU:C:2007:809, Jur. 2007, p. I-11767; NJ 2008/150, m.nt. M.R. Mok (Laval), r.o. 112-120 (ten aanzien van strijd van een nationale wettelijke regeling met het vrij verkeer van diensten). Zie voor de mogelijk nadelige gevolgen hiervan voor particulieren Aronstein 2018.
Men zou deze toepassing van Unierecht ook kunnen zien als verticale werking, omdat het gaat om het buiten toepassing laten van een Unierechtelijke norm door de nationale rechter op grond van een op hem rustende verplichting daartoe. Vgl. bijvoorbeeld (in het kader van richtlijnen) Prechal 2005, p. 241.
HvJEU 20 juni 2013, C-186/12, ECLI:EU:C:2013:412 (Impacto Azul).
HvJEU 20 juni 2013, C-186/12, ECLI:EU:C:2013:412 (Impacto Azul), r.o. 31-39.
HvJEU 5 oktober 2004, gevoegde zaken C-397/01 t/m C-403/01, ECLI:EU:C:2004:584, Jur. 2004, p. I-08835; NJ 2005/333, m.nt. M.R. Mok (Pfeiffer), r.o. 109; HvJEU 19 januari 2010, C-555/07, ECLI:EU:C:2010:21, Jur. 2010, p. I-00365; NJ 2010/256, m.nt. M.R. Mok (Kücükdeveci), r.o. 46; HvJEU 15 januari 2014, C-176/12, ECLI:EU:C:2014:2, NJ 2014/246, m.nt. M.R. Mok (Association de médiation sociale (AMS)), r.o. 36.
HvJEU 22 november 2005, C-144/04, ECLI:EU:C:2005:709, Jur. 2005, p. I-09981; NJ 2006/227, m.nt. M.R. Mok (Mangold), r.o. 55-78; HvJEU 19 januari 2010, C-555/07, ECLI:EU:C:2010:21, Jur. 2010, p. I-00365; NJ 2010/256, m.nt. M.R. Mok (Kücükdeveci), r.o. 21 en 50-51; HvJEU 19 april 2016, C-441/14, ECLI:EU:C:2016:278 (Dansk Industri), r.o. 27.
Zie hiervoor, nr. 25, onder verwijzing naar HvJEU 17 april 2018, C-414/16, ECLI:EU:C:2018:257 (Egenberger), r.o. 76-78; HvJEU 6 november 2018, gevoegde zaken C-569/16 en 570/16, ECLI:EU:C:2018:871, NJ 2019/45, m.nt. A.W.H. Meij (Bauer en Broßonn), r.o. 79-92; en HvJEU 22 januari 2019, C-193/17, ECLI:EU:C:2019:43, NJ 2019/360, m.nt. A.H.W. Meij (Cresco), r.o. 76-78. Vgl. echter HvJEU 15 januari 2014, C-176/12, ECLI:EU:C:2014:2, NJ 2014/246, m.nt. M.R. Mok (Association de médiation sociale (AMS)), r.o. 41-51, waarin toetsing aan art. 27 EU-Handvest niet mogelijk werd geacht.
Zie hiervoor, nr. 9.
28. Indirecte horizontale werking (algemeen). Komt aan een bepaling van Unierecht geen directe horizontale werking toe, dan kan zij niettemin op indirecte wijze invloed uitoefenen op een horizontale rechtsverhouding (‘indirecte horizontale werking’).1
In de eerste plaats kan een niet rechtstreeks horizontaal werkende regel van Unierecht invloed uitoefenen op een horizontale rechtsverhouding door Unierechtconforme interpretatie.2 Het meest sprekende voorbeeld hiervan is de interpretatie van nationaalrechtelijke wettelijke bepalingen in overeenstemming met (al dan niet geïmplementeerde) richtlijnen.3 Men spreekt dan van ‘richtlijnconforme interpretatie’.4
Stel bijvoorbeeld dat een partij in strijd handelt met een bepaling uit een niet-geïmplementeerde richtlijn, waarna haar wederpartij betoogt dat sprake is van onrechtmatig handelen wegens strijd met een in die bepaling vervatte norm. Die wederpartij kan vanwege het ontbreken van directe horizontale werking geen rechtstreeks beroep doen op de desbetreffende richtlijnbepaling. Wel komt haar uiteraard een beroep toe op art. 6:162 BW. Het ontbreken van directe horizontale werking staat niet eraan in de weg dat de nationale rechter tot het oordeel komt dat het handelen in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm (art. 6:162 lid 2 BW). De nationale rechter kan bij dit oordeel de normstelling uit de richtlijn gebruiken om de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm ‘in te kleuren’.5 Soms is de nationale rechter daartoe zelfs verplicht.6 Ondanks het ontbreken van directe horizontale werking kan een richtlijn op deze wijze toch invloed uitoefenen op een horizontale rechtsverhouding. Wel vindt deze wijze van interpretatie haar grens in de tekst van de geldende wet, omdat de nationale rechter niet zover hoeft te gaan dat hij daartegenin gaat (geen richtlijnconforme interpretatie ‘contra legem’).7
In de tweede plaats is denkbaar dat voor de lidstaten uit een Unierechtelijke norm de verplichting voortvloeit om de uit die norm voortvloeiende rechten en verplichtingen te handhaven, óók in rechtsverhoudingen tussen particulieren. Er is dan sprake van een zogenoemde positieve verplichting. Een dergelijke verplichting kan bijvoorbeeld voortvloeien uit het beginsel van Unietrouw (art. 4 lid 3 EU-Verdrag).8 De nationale rechter kan in een geschil tussen particulieren dus verplicht zijn om de effectuering van een Unierechtelijke regel te verzekeren.
Ten derde kan worden gedacht aan de rechtmatigheidstoetsing van een nationale wettelijke bepaling in een geding tussen particulieren.9 Ook indien geen sprake is van een rechtstreeks horizontaal werkende norm van Unierecht, kan van die norm soms invloed uitgaan op een privaatrechtelijke rechtsverhouding omdat de nationale rechter in een geschil tussen particulieren verplicht is om een nationale wettelijke bepaling aan de desbetreffende Unierechtelijke norm te toetsen. Een voorbeeld biedt het vrij verkeer van kapitaal (art. 63 VwEU). Het Hof van Justitie heeft tot op heden niet geoordeeld dat aan art. 63 VwEU directe horizontale werking toekomt.10 Niettemin staat vast dat deze bepaling directe werking heeft, in die zin dat lidstaten de uit die bepaling voortvloeiende rechten en verplichtingen dienen te beschermen.11 Beroept een partij zich op een nationale wettelijke regeling ter rechtvaardiging van zijn gedrag, maar blijkt dat de desbetreffende regeling in strijd is met art. 63 VwEU, dan kan zijn wederpartij geen rechtstreeks beroep doen op deze bepaling. Wel is de nationale rechter in een dergelijk geval verplicht om de daarmee strijdige nationale wettelijke regeling buiten toepassing te laten.12 Gaat de rechter daartoe over, dan ontvalt hiermee de wettelijke basis voor het handelen en oefent de desbetreffende Unierechtelijke regel indirect invloed uit op de rechtsverhouding tussen particulieren; er is dan sprake van indirecte horizontale werking.13
In dit kader kan worden gewezen op het arrest Impacto Azul, waarin het Hof van Justitie had te oordelen over Portugese nationale wetgeving waarin in het kader van aansprakelijkheid van moedervennootschappen jegens de schuldeisers van hun dochtervennootschap(pen) onderscheid werd gemaakt tussen in Portugal gevestigde moedermaatschappijen en buíten Portugal gevestigde moedermaatschappijen.14 Het Hof van Justitie oordeelde dat de aan de orde zijnde nationaalrechtelijke regel niet onverenigbaar was met de vrijheid van vestiging (art. 49 VwEU).15
29. Indirecte horizontale werking (richtlijnen). Is sprake van een niet(-tijdig of -volledig) geïmplementeerde richtlijn, dan kan een nationale wettelijke bepaling hieraan in beginsel niét worden getoetst in een geschil tussen particulieren, óók niet indien de richtlijnbepaling duidelijk, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijk is.16 Een niet-geïmplementeerde richtlijn(bepaling) kan, met andere woorden, geen indirecte horizontale werking hebben door middel van toetsing van de rechtmatigheid van nationale wetgeving in een geschil tussen particulieren.
Wel is denkbaar dat het nationale recht in overeenstemming met de richtlijn wordt geïnterpreteerd (richtlijnconforme interpretatie) of – indien dat niet mogelijk is – toetsing plaatsvindt aan algemeen beginsel van Unierecht waarvan de richtlijnbepaling een uitdrukking vormt, zoals is aanvaard in de arresten Mangold, Kücükdeveci en Dansk Industri.17 Inmiddels heeft het Hof van Justitie in de arresten Egenberger, Bauer en Cresco ook aanvaard dat indien een richtlijnbepaling een uitdrukking vormt van een in het EU-Handvest opgenomen fundamenteel recht, mogelijk wél toetsing van nationale wetgeving kan plaatsvinden aan dat fundamentele recht.18 Dit alles laat onverlet dat aan (bepalingen uit) richtlijnen geen directe horizontale werking toekomt, en in een geschil tussen particulieren evenmin kunnen dienen als toetsingsmaatstaf voor nationale wetgeving.
Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is deze ontwikkeling mogelijk eveneens van belang. Indien een Unirechtelijke richtlijn voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid en/of in verhaal tussen hoofdelijk medeschuldenaren, maar de daartoe strekkende bepalingen niet tijdig in nationaal recht zijn omgezet, kan een particulier in een geschil met een andere particulier aan die richtlijnbepaling(en) geen rechten ontlenen. Ook toetsing van nationaal recht aan de desbetreffende regels is dan immers niet mogelijk. Zou het Hof van Justitie op enig moment een beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid erkennen,19 dan vloeit uit de hiervoor genoemde arresten voort dat nationale wetgeving mogelijk wél aan dat beginsel kan worden getoetst.