Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/9.4.3
9.4.3 Het effectcriterium: de wezenlijke verstoring van het economische gedrag van de consument
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS492440:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De definitie van de wezenlijke verstoring van het gedrag (art. 2 onder e richtlijn) in de Franstalige versie van de richtlijn laat het potentiële karakter van het verkeerde besluit net als in de Nederlandstalige en Engelstalige versie opmerkelijk genoeg onvermeld. Het potentiële karakter van het verkeerde besluit blijkt wel uit art. 2 onder k richtlijn en uit de formulering van het besluitcriterium uit de richtlijnsubnormen.
In art. 1 Penjet de loi en faveur des consommateurs uit 2006.
Zoals later zal blijken ontbreekt ook in de omgezette subnormen iedere verwijzing naar het besluitcriterium.
573. Het tweede criterium uit de richtlijnhoofdnorm — 'de wezenlijke verstoring van het economische gedrag van de consument' — bestaat, zo blijkt uit art. 2 onder e richtlijn, uit twee stappen: de merkbare beperking van het beoordelingsvermogen van de consument en het schadelijke economische gevolg hiervan: het (kunnen) nemen van een 'verkeerd' besluit.1
Bij de omzetting van het effectcriterium speelt de onbekendheid naar Frans recht met de toetsing van het economische gedrag van de consument (zijn uiteindelijke besluit) een belangrijke rol. In het kader van de misleidende reclametoets werd alleen het gevolg van de reclame op de perceptie van de consument onderzocht. In de bepaling die art. 5 lid 2 onder b richtlijn aanvankelijk zou omzetten werd in het geheel niet naar het gedrag, doch slechts naar het beoordelingsvermogen verwezen:2
`(...) qu'elle altère ou est susceptible d'altérer de manière substantielle le jugement du consommateur normalement informé et raisonnablement attentif et avisé, à l'égard d'un bien ou d'un service.'
Dat aanvankelijk slechts het beoordelingsvermogen centraal stond, is kenmerkend voor de Franse rechtspraak inzake misleidende reclame, waarin niet wordt getoetst of de beïnvloeding van het beoordelingsvermogen op haar beurt een (potentieel) effect heeft op het economische gedrag van de consument. Tijdens de totstandkoming van de loi Chatel, is de definitie van het effectcriterium uit de hoofdnorm aangepast. Thans luidt het effectcriterium:
`(...) l'altération substantielle ou le risque d'altération substantielle du comportement économique du consommateur à l'égard d'un bien ou d'un service.'
Dat art. L.120-1 C.conso. thans, in overeenstemming met art. 5 lid 2 richtlijn, een verwijzing naar het economische gedrag bevat, is op papier een belangrijke verandering. De vraag is of deze aanpassing ook tot een verandering in de praktijk zal leiden.
De Franse wetgever heeft er wel van afgezien de definitie van de wezenlijke verstoring uit art. 2 onder e richtlijn om te zetten. Art. L.120-1 C.conso. bevat dus geen verwijzing naar het besluitcriterium, i.e. het vereiste dat een consument als gevolg van de praktijk een besluit neemt of kan nemen dat hij anders niet had genomen. Het besluitcriterium vormt een sterke aanwijzing dat het bij het effectcriterium niet slechts om de perceptie van de consument gaat, maar ook om het risico op economische schade.3 Het besluitcriterium wordt nergens in de omzettingswet en -documentatie genoemd. In par. 9.4.5 wordt nader op de betekenis van het besluitcriterium naar Frans recht ingegaan. Eerst wordt de omgang met het eerste deel van het effectcriterium en de invulling van de daarbij gehanteerde referentieconsument nader toegelicht.