Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.3.4
3.3.4 Slaven
1
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264416:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Met slaven doel ik niet op onvrije horigen van Europese afkomst. Zij vielen niet onder het begrip servus. Slaven die onder het begrip servus vielen, waren hoofdzakelijk (krijgs)gevangenen van niet-Europese afkomst. Zie Rüfner 2018, p. 311-313.
Zie bijvoorbeeld Van Bavel 2010, p. 60 en p. 76-86.
Helmholz 2012, p. 19-21.
Rüfner 2018, p. 313.
Helmholz 2012, p. 37-39; Rüfner 2018, p. 313-314.
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2), p. 2135-2136 (ad C. 8,25(24),2) en p. 2219 (ad C. 8,43(42),20); Bartolus, In primam codicis partem, ad C. 4,24,2; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 19-20 (ad C. 4,24,1-4,24,2; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani III, p. 1515-1516 (ad C. 8,43(42),20).
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1408 (ad D. 13,7,25).
Slavernij kwam in afnemende mate voor in Europese middeleeuwse samenlevingen.2 Verschillende auteurs becommentarieerden fragmenten uit het Corpus Iuris Civilis die betrekking hadden op slaven. Dit betekende dat de rechtsfiguur van het recht van pandgebruik op slaven voortleefde in het geleerde recht.3 De verpanding van slaven kwam bovendien voor in de rechtspraktijk.4 Vermoedelijk vanwege het afnemende belang van slavernij in middeleeuwse samenlevingen kreeg het onderwerp vrij weinig aandacht.5
Het recht van pandgebruik op slaven had dezelfde inhoud als in het Romeinse recht. De belangrijkste bevoegdheid van de pandgebruiker van een slaaf was ook in de middeleeuwen het gebruik en genot van de vruchten van dienstverrichtingen van de verpande slaaf. De pandgebruiker was, als het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had, zelfs verplicht de slaaf diensten te laten verrichten. De waarde die de diensten van de slaaf opbracht, gold als vrucht van de slaaf en kwam daarom in mindering op de vordering waarvoor het pandrecht was gevestigd.6 De pandgebruiker was bovendien bevoegd om slaven ambachten te leren die noodzakelijk waren voor het werk dat zij uitvoerden.7