De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.5.7:6.5.7 Rol van de leraar
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.5.7
6.5.7 Rol van de leraar
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949412:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 7.12c van de Whw.
Zie hierover Buiting 2018, p. 18-20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het hoger onderwijs wordt het tentamen afgenomen door, een door de examencommissie aangestelde, examinator.1 De examinator is vaak de leraar die het onderwijs verzorgt. In tegenstelling tot in het mbo, neemt de examinator in het hoger onderwijs de tentamens niet af namens de examencommissie. De bevoegdheid om tentamens af te nemen wordt door de wetgever exclusief geattribueerd aan de door de examencommissie aangewezen examinator.2 De examinator in het hoger onderwijs kan dan ook zelfstandig de tentamens afnemen en beoordelen. De examinator dient zicht wel te houden aan de kaders die door het instellingsbestuur zijn vastgelegd in de onderwijs- en examenregeling. Het instellingsbestuur heeft een grote mate van ruimte om deze kaders zelf te bepalen. In tegenstelling tot de andere onderwijssectoren kent het hoger onderwijs immers geen van overheidswege vastgestelde kerndoelen, eindtermen of kwalificaties. Ook zijn de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen niet van toepassing.
De examinator heeft binnen de kaders van de onderwijs- en examenregeling een grote mate van autonomie bij het tentamineren. Hij geeft immers het onderwijs en kan binnen de kaders van de onderwijs- en examenregeling eigen leerdoelen voor zijn studenten kiezen. Vervolgens kan de leraar in principe zelf het tentamen opstellen en beoordelen. Bij het beoordelen van het tentamen komt aan de leraar een grote mate van beoordelingsvrijheid toe. Zoals toegelicht in § 5.12 hoeft er geen exact antwoordmodel gemaakt te worden; er zijn immers vaak veel verschillende antwoordmogelijkheden. Het is in een concreet geval aan de examinator om te bepalen welk antwoord juist is. Dit geldt in het bijzonder voor het hoger onderwijs waar de stof bijzonder complex en specialistisch kan zijn. De beoordeling is daardoor in grote mate afhankelijk van de specifieke examinator die het tentamen beoordeelt.
Uit het voorgaande blijkt dat in het hoger onderwijs, meer dan in de andere onderwijssectoren, wordt vertrouwd op de vakdeskundigheid van de examinator. Hij hoeft zich niet te laten leiden door van overheidswege vastgestelde kerndoelen, eindtermen of kwalificaties. Ook wordt de student niet onderworpen aan een van overheidswege vormgegeven examen. De beoordelingen van de examinatoren zijn dan ook bepalend voor de uitslag van het examen. Zelfs de examencommissie kan niet in de inhoud van deze beoordelingen treden. De, uit de academische vrijheid voortvloeiende, autonomie van de examinator in het hoger onderwijs is dan ook aanzienlijk groter dan die van de leraren en examinatoren in de andere onderwijssectoren.