De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.1:2.2.1 Inleiding
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.1
2.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702031:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het betrof de inwerkingtreding van de Franse onteigeningswet van 1810. Daarover uitgebreid § 3.2.2.1. Zie ook: Van Andel 1857.
Voor een uitgebreide beschrijving van het verloop van de schadeloosstellingsprocedure verwijs ik naar Van der Gouw & Sluysmans 2015, hoofdstuk 4 t/m 8; Sluysmans, Van der Gouw & Bosma 2011, hoofdstuk 2 t/m 6; Den Drijver-van Rijckevorsel e.a. 2013, hoofdstuk 3 t/m 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De schadeloosstelling wegens onteigening is zonder twijfel de oudste en meest bekende vorm van schadevergoeding ten gevolge van een rechtmatige overheidsdaad. In Nederland is het onteigeningsinstrument al sinds 1811 wettelijk geregeld. 1Door die zeer oude wortels, heeft het onteigeningsrecht een betrekkelijk op zichzelf staande rechtsontwikkeling doorgemaakt. Kernelement van de schadeloosstelling wegens onteigening is dat die volledig moet zijn. Alle schade die kwalificeert als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening komt voor vergoeding in aanmerking. De onteigende wordt daardoor zoveel mogelijk teruggebracht in de vermogens- en inkomenspositie als waarin deze zou hebben verkeerd zonder onteigening. Dat is een beduidend ander uitgangspunt dan de nadeelcompensatie gestoeld op het égalité-beginsel. Op grond daarvan komt uitsluitend de schade voor vergoeding in aanmerking die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en de benadeelde – in vergelijking met anderen – onevenredig zwaar treft.
Ook procedureel kent het onteigeningsrecht een bijzonder regime. Dat blijkt bijvoorbeeld ook waar het de inzet en rol van deskundigen betreft. Thans vloeien de procedureregels nog voort uit de onteigeningswet. De regels omtrent de inzet en rol van deskundigen blijven onder de vigeur van de Omgevingswet op hoofdlijnen ongewijzigd. De concrete veranderingen die de Omgevingswet aanbrengt, worden in de navolgende paragrafen steeds afzonderlijk besproken.
Omdat er in het navolgende aan bepaalde stappen in de schadeloosstellingsprocedure wordt gerefereerd, schets ik zeer beknopt het verloop van die procedure.2 Zuiver gezegd, maakt de schadeloosstellingsprocedure onderdeel uit van de tweede fase van de onteigeningsprocedure: de gerechtelijke fase. De oorspronkelijke gerechtelijke fase gaat uit van de gedachte dat in één en hetzelfde rechtbankvonnis zowel de onteigening wordt uitgesproken als de schadeloosstelling wegens die onteigening wordt bepaald. In de huidige praktijk wordt er – met het oog op een versnelling van de procedure – doorgaans een ‘knip’ gemaakt tussen het uitspreken van de onteigening en het vaststellen van de schadeloosstelling. In een tussenvonnis wordt dan eerst de vervroegde onteigening uitgesproken en een voorschot op de schadeloosstelling bepaald. Zodra ook de descente – de gerechtelijke plaatsopneming in het onteigeningsrecht – heeft plaatsgevonden en het tussenvonnis onherroepelijk is, kan de eigendom overgaan door de inschrijving van het tussenvonnis in de openbare registers. De onteigenaar kan vanaf dat moment ‘aan de slag’ met het onteigende, terwijl er ondertussen wordt verder geprocedeerd over de hoogte van de schadeloosstelling. De onteigeningsdeskundigen worden doorgaans benoemd in het tussenvonnis waarin de rechtbank de vervroegde onteigening uitspreekt. Hun onderzoek vangt vervolgens aan met de descente. De descente markeert het begin van het processuele debat omtrent de omvang van de schadeloosstelling. Het is mogelijk – met het oog op een verdergaande versnelling van de procedure – dat al vóór het vervroegde onteigeningsvonnis is uitgesproken (zelfs al vóórdat de dagvaarding is uitgebracht) een descente wordt gehouden. Tijdens deze vervroegde descente kunnen de deskundigen – die dus dan al eerder zijn benoemd – een voorlopig oordeel over de omvang van de schadeloosstelling geven. Na de descente deponeren de deskundigen hun (definitieve) rapport ter griffie van de rechtbank. In het daaropvolgende pleidooi ten overstaan van de rechter zal dat rapport centraal staan. Binnen een aantal weken na het pleidooi volgt het vonnis houdende de omvang van de schadeloosstelling.