Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.10
2.2.10 Normering
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701945:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schuite, EeR 2020/6, i.h.b. § 4.
Kamerstukken II 2018/19, 35133, 3, p. 123.
Kamerstukken II2018/19, 35133, 3, p. 124. Zie voor de Leidraad: https://www.rechtspraak.nl/sitecollectiondocuments/leidraad-deskundigen-wt.pdf
Voortaan begint de schadeloosstellingsprocedure met een verzoek van de onteigenaar aan de rechtbank om de schadeloosstelling vast te stellen. Belanghebbenden kunnen schriftelijk verweer voeren waarna er een mondelinge behandeling volgt (art. 11.14 Omgevingswet jo. art. 282 Rv).
Sluysmans en Wiegerink merken scherp op dat de benoeming van één enkele deskundige – hetgeen op grond van de onteigeningswet zo nu en dan wel degelijk voorkwam – uitgesloten lijkt bij een grammaticale wetsinterpretatie (Sluysmans & Wiegerink, Gst. 2016/111, p. 610).
W.J.I. Van Wijmen 1945, p. 132.
Zie voor deze mening: Sluysmans 2011, p. 185-186; W.J.I. Van Wijmen 1945, p. 132; Wijting 1984, p. 298 e.v.; Van Mierlo 2009, p. 41-42; Concl. A-G R.W.L. Loeb, ECLI:NL:HR:1995:AB9383, bij HR 6 april 1995, NJ 1996/404, m.nt. R.A. Mörzer Bruyns en de aldaar aangehaalde literatuur.
Jonckers Nieboer 1931, p. 118; De Groot 2008, p. 135, voetnoot 245.
HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8098, NJ 2013/215 (Gielen/Sittard-Geleen).
Scheltema & Storm, NTBR 2007/65, § 5.
Onteigeningswet
Uit de voorgaande paragrafen bleek reeds dat er in de onteigeningswet betrekkelijk weinig is geregeld omtrent de positie van deskundigen. Behoudens enkele algemeenheden bevat de onteigeningswet eigenlijk geen procesrechtelijke regels die de positie van deskundigen normeren. 1Nu kan er in beginsel een vangnet worden gevonden in art. 2 van de onteigeningswet. Dat artikel bepaalt namelijk dat de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in beginsel op de onteigeningsprocedure van toepassing zijn. Dat zou betekenen dat ook de deskundigenregeling van Rv – neergelegd in de artikelen 194-200 – van toepassing is. Daarin zijn onder meer regels gegeven over de wijze van benoeming, hoor en wederhoor en de kostenbegroting. Art. 2 onteigeningswet maakt echter direct duidelijk dat de hoofdregel alleen geldt ‘voor zoveel daarvan bij deze wet niet is afweken’. En dat is precies wat er in art. 32 onteigeningswet is gebeurd ten aanzien van het deskundigenbericht.
Omgevingswet
In de nieuwe onteigeningsregeling is de deskundigenprocedure niet langer uitgezonderd van de regels van Rv. De wetgever meent dat er – anders dan in 1851 – geen reden meer is om te voorzien in aparte regels voor onteigeningsdeskundigen. 2Het Wetboek van Rv bevat inmiddels alle noodzakelijke instrumenten om de deskundigenprocedure in het onteigeningsrecht op de gewenste wijze te laten verlopen. In het verlengde van de deskundigenregeling in Rv is ook de Leidraad deskundigen in civiele zaken, opgesteld door de Raad van de Rechtspraak, van toepassing. 3De Leidraad werkt de deskundigenregeling van Rv nader uit en geeft concrete handvatten over bijvoorbeeld communicatie met partijen, hoor en wederhoor, werkwijze en betaling.4
De toepasselijkheid van Rv zorgt ervoor dat de nu nog buitenwettelijke voorhangprocedure een wettelijke basis krijgt. Krachtens art. 194 lid 2 Rv benoemt de rechter de deskundigen namelijk na overleg met partijen. Dat overleg zal in de praktijk plaatsvinden bij de mondelinge behandeling van het verzoekschrift,5 maar de wet staat er niet aan in de weg dat dit op een afzonderlijk moment geschiedt. De huidige gang van zaken, waarin partijen van de griffier per brief of mail vernemen welke deskundigen de rechtbank voornemens is te benoemen, zou dus theoretisch kunnen worden voortgezet. Tegen de benoeming staat geen hogere voorziening open (art. 194 lid 2 Rv). Net als in de huidige situatie zal de rechter meestal drie deskundigen benoemen (art. 15.39 Omgevingswet).6 Deskundigen zijn wettelijk verplicht hun opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen (art. 198 lid 1 Rv).
Analyse
Onder de onteigeningswet heeft in de doctrine lang discussie bestaan of, ondanks het bepaalde in art. 32, de bepalingen van Rv tóch op de deskundigenprocedure in het onteigeningsrecht van toepassing waren. Art. 32 onteigeningswet luidt:
“De formaliteiten, bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgeschreven omtrent het getuigenverhoor en het berigt van deskundigen, zijn ten deze niet toepasselijk.”
W.J.I. van Wijmen signaleerde dat art. 32 onteigeningswet op twee manieren kon worden gelezen.7 Doorslaggevend voor de lezing was de interpretatie van het zinsdeel ‘ten deze’. De eerste lezing – die in de literatuur ook de meeste bijval kreeg – was dat art. 32 onteigeningswet aldus moest worden gelezen dat het enkel betrekking had op art. 31 onteigeningswet. 8Daarin was bepaald dat de rechter-commissaris op eigen initiatief personen kon oproepen wier inlichtingen een betere beoordeling van de zaak mogelijk maakten. Kortom: volgens deze eerste visie waren de artikelen 194-200 Rv in de onteigeningsprocedure gewoon van toepassing.
De tweede wijze van interpretatie, die opvallend minder bijval kreeg in de literatuur, 9maar waar in de praktijk wel naar werd gehandeld, was dat art. 32 onteigeningswet betrekking had op de gehele schadeloosstellingsprocedure. ‘Ten deze’ werd dan gelezen als niet enkel terugslaand op art. 31, maar juist op de schadeloosstellingsprocedure als geheel. Volgens die opvatting was er dan ook geen ruimte voor de deskundigenregeling van Rv.
De Hoge Raad heeft dit debat in 2013 beslecht. In het arrest Gielen/Sittard-Geleen oordeelde hij dat aan art. 32 onteigeningswet een ruime betekenis toekomt.10 Het zou volgens de Hoge Raad strijdig zijn met het op spoed gerichte karakter van de onteigeningsprocedure als de deskundigenregeling uit Rv van toepassing was. De rechter zou dan bijvoorbeeld conform art. 194 lid 2 Rv steeds gehouden zijn om voorafgaande aan de benoeming eerst met partijen te overleggen.11
Mijns inziens beoogde de Hoge Raad voornamelijk de bijzonderheden van de deskundigenprocedure in het onteigeningsrecht te waarborgen. Daarbij kan worden gedacht aan de wijze waarop deskundigen worden benoemd, de gang van zaken bij de descente en de kostenopgave. Rigoureuzere conclusies – zoals dat onder geen omstandigheid ook maar één artikel van de deskundigenregeling uit Rv van toepassing is – kan het arrest naar mijn mening niet dragen. In die zin concludeerden Scheltema en Storm:
“Hoewel de formele bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangaande het deskundigenbericht derhalve niet van toepassing zijn, neemt dat niet weg dat veel regels waaraan deskundigen in een 'gewone' civiele procedure zijn gebonden - te denken valt aan regels over onpartijdigheid en hoor en wederhoor - ook voor deskundigen in onteigeningszaken gelden.”12
Dat lijkt mij de juiste conclusie. Bepaalde basale eisen voor deskundigen, zoals die omtrent onpartijdigheid en hoor en wederhoor, behoren van uniforme toepassing te zijn op alle rechtbankdeskundigen in welke procedure dan ook. Het ligt rechts- en wetssystematisch niet voor de hand dat de Hoge Raad dat anders ziet voor onteigeningsdeskundigen.