Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.3
2.2.3 De descente
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701968:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De term ‘descente’ stamt af van het Latijnse werkwoord ‘descendere’, hetgeen ‘afdalen’ betekent, en is een typische onteigeningsterm.
Sluysmans 2011, p. 193; Den Drijver-van Rijckevorsel e.a. 2013, § 3.18.
Zie voor de gang van zaken tijdens de descente ook: Van der Gouw & Sluysmans 2015, § 4.13.4; Den Drijver-van Rijckevorsel e.a. 2013, § 3.18.
Kamerstukken II 2018/19, 35133, 3, p. 121.
Kamerstukken II 2018/19, 35133, 3, p. 123.
Het kan voorkomen dat deskundigen na de officiële descente/plaatsopneming op een later moment nogmaals het onteigende gaan bezichtigen (nadere opname).
Sluysmans, NJB 2019/580, p. 732.
De Jager & Hoekstra, TBR 2012/3, § 3.1.2.
Onteigeningswet
De gerechtelijke plaatsopneming in het onteigeningsrecht – aangeduid met de term ‘descente’ 1 – is het belangrijkste procesmoment in de schadeloosstellingsprocedure. Ook het onderzoek van de deskundigen vangt op dat moment aan. Onder het regime van de onteigeningswet markeert de descente de opening van het schadedebat. Partijen worden tijdens de descente voor het eerst in de gelegenheid gesteld hun standpunten ten aanzien van de hoogte van de schadeloosstelling naar voren te brengen.
Op de dag van de descente komen alle bij de onteigening betrokken personen samen. Naast procespartijen en hun advocaten en adviseurs zijn dat in ieder geval de rechter-commissaris, de griffier en de door de rechtbank benoemde deskundigen. De samenkomst vindt dikwijls plaats op een locatie in de nabijheid van het te onteigenen perceel (bijvoorbeeld een parochie- of gemeentezaal, hotel of ander (horeca)etablissement). Partijen krijgen aldaar tijdens een soort hoorzitting de mogelijkheid de zaak voor de rechter-commissaris en de deskundigen te ‘bepleiten’ en de relevante stukken te overleggen (art. 30 onteigeningswet). 2Ook de juridische aspecten van de schadeloosstelling komen ter sprake. Het is voor partijen zaak om bij de descente goed beslagen ten ijs te komen omdat de deskundigen op dat moment nog veelal blanco tegenover de zaak staan.3 Na afloop van (of voorafgaand aan) deze ‘hoorzitting’ wordt het te onteigenen perceel bezichtigd. Deskundigen maken daarbij foto’s, tekeningen of zij maken gebruik van andere voor opneming geschikte middelen (art. 29 lid 3 onteigeningswet). Van de descente wordt een proces-verbaal opgemaakt. Daarin wordt niet alleen het verhandelde tijdens de descente neergelegd, maar ook eventuele aanvullende afspraken zoals de keuze voor de conceptrapport-procedure en de termijnen die deskundigen zullen aanhouden. 4Behoudens enkele summiere wettelijke bepalingen, is de gang van zaken tijdens de descente wettelijk ongeregeld. De werkwijze waarnaar wordt gehandeld, is in de onteigeningspraktijk ontwikkeld.
De descente kan op twee ‘momenten’ plaatsvinden. Het initiatief daarvoor ligt bij de onteigenaar. Allereerst is er de reguliere descente. Deze vindt plaats nadat het vervroegde onteigeningsvonnis is gewezen. Daarnaast bestaat er – met het oog op een verdergaande versnelling van de procedure – de figuur van de vervroegde descente (art. 54a onteigeningswet). Deze kan al worden gehouden zodra de onteigeningsstukken ter visie hebben gelegen en dus nog voordat het (vervroegde) onteigeningsvonnis voorhanden is, of zelfs maar de dagvaarding is uitgebracht.
Omgevingswet
Onder de vigeur van de Omgevingswet verandert het voorgaande op belangrijke punten. Niet alleen wordt afscheid genomen van de onteigeningsrechtelijke term ‘descente’ ten gunste van het meer gangbare ‘onderzoek ter plaatse’, ook de mogelijkheid van een vervroegde plaatsopneming vervalt. Voortaan worden deskundigen altijd pas benoemd op of na afloop van de mondelinge behandeling ten overstaan van de rechter.5 Die mondelinge behandeling is een gevolg van het systeem van het Wetboek van Rv dat voortaan op de schadeloosstellingsprocedure van toepassing zal zijn. Conform dat systeem vindt er een mondelinge behandeling plaats nadat de onteigenaar de rechtbank heeft verzocht om de schadeloosstelling vast te stellen en de belanghebbende(n) daarover een verweerschrift heeft (hebben) kunnen indienen. De mondelinge behandeling is met name gericht op het in een vroeg stadium inzichtelijk maken van de standpunten die partijen verdeeld houden en het alsnog trachten te bereiken van een schikking. 6Een gevolg van het nieuwe systeem is dat deskundigen niet langer blanco bij de plaatsopneming zullen verschijnen, omdat het verzoekschrift, het verweerschrift alsook de mondelinge behandeling deel uitmaken van de adviesopdracht.
Gelijk blijft naar verwachting de gang van zaken bij de plaatsopneming. Dat wil zeggen dat er voorafgaand of na afloop van de daadwerkelijke fysieke plaatsopneming een hoorzitting zal worden gehouden. Bij die zitting komen dan nog steeds de feitelijke en de juridische omstandigheden ter sprake. Ook kunnen er nog stukken worden overgelegd en personen worden gehoord. Deskundigen behouden hun belangrijke rol – zij bevragen de partijen waarna die op hun beurt nadere inlichtingen dienen te verschaffen. De descente vindt plaats onder regie van de rechter-commissaris. Van de descente wordt een proces verbaal opgemaakt. 7Ook onder de Omgevingswet blijft deze praktische gang van zaken tijdens de descente wettelijk ongeregeld.
Analyse
Als gezegd, is de meest opvallende wijziging dat de mogelijkheid van een vervroegde plaatsopneming in de nieuwe regeling niet terugkeert. Deskundigen verschijnen voortaan op een vast moment in de procedure. De reden daarvoor is dat de figuur van een vervroegde plaatsopneming niet geacht wordt te passen binnen de vaste uitgangspunten van het Wetboek van Rv (mondelinge behandeling na verzoek en verweer). De regering houdt omwille van ‘procesefficiëntie’ vast aan dat Rv-stramien. 8Of de procedurele wijziging ook daadwerkelijk tot meer procesefficiëntie leidt, is evenwel nog maar de vraag. Er rijzen met name twijfels over het procesmoment waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt en het daaraan gekoppelde moment om de deskundigen te benoemen. Sluysmans verwoordt die twijfel treffend:
“Naar mijn stellige overtuiging is deze procedurele verandering een weinig vruchtbare exercitie. Zij onderschat de diepte van de loopgraven waarin partijen zich na jaren ‘onteigeningsdiscussie’ doorgaans hebben ingegraven, alsmede de positieve invloed die een bezoek ter plaatse en een voorlopig oordeel van deskundigen kunnen hebben op een perspectiefverandering bij partijen. Als de inzet daadwerkelijk is om partijen sneller tot elkaar te brengen – een streven dat ik enkel kan toejuichen – dan lijkt mij veel meer winst te behalen met een meer actieve opstelling van een rechter-commissaris die al tijdens de descente deskundigen kan vragen om een mondeling voorlopig oordeel en die dan aan de hand daarvan de descente kan benutten om een minnelijk vergelijk te bereiken. Enige wijziging van de wet is daartoe niet nodig, een wijziging van attitude volstaat.”9
Ook ik verwacht niet dat de verplichte mondelinge ronde in die fase nog tot veel doorbraken zal leiden. Wat daarvan ook zij, de regering geeft aan dat de deskundigen voortaan in ieder geval met meer informatie over het schadedebat bij de plaatsopneming verschijnen. Het verzoekschrift, het verweerschrift en de mondelinge behandeling hebben immers al plaatsgevonden en maken deel uit van de adviesopdracht.10 Ik vraag mij af hoe die wijziging in de praktijk zal worden ervaren. In het verleden hebben deskundigen wel aangegeven liever als ‘onbeschreven blad’ bij de plaatsopneming te verschijnen. Zij gaven toen aan dat de plaatsopneming vooral informatief van aard is, zodat het op voorhand toezenden van standpunten over de schadeloosstelling als onwenselijk werd ervaren. Bovendien, zo gaven zij aan, worden er onnodig deskundigenkosten gemaakt indien de plaatsopneming (bijvoorbeeld vanwege een alsnog bereikte minnelijke overeenstemming) niet doorgaat.11