Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/10.3
10.3 Nuancering
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS592179:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
BGH 21 februari 1961, VersR 1961, 465. In deze zaak speelt ook een relativiteitsprobleem, dat zal in nr. 392 behandeld worden.
Het is overigens niet zo dat als de schade van het soort is waartegen met de geschonden norm beoogd is te beschermen, het er niet meer toe doet op welke wijze deze schade precies is ontstaan, zie nader nr. 361.
Dogmatisch kan dat bijvoorbeeld door de schade geheel toe te rekenen, maar vervolgens op grond van art. 6:101 BW een afslag op de schadevergoedingsplicht aan te nemen omdat de schade is veroorzaakt door omstandigheden die maakten dat de gelaedeerde steeds een bepaald risico liep dat zich heeft verwezenlijkt, en die omstandigheden aan de gelaedeerde kunnen worden toegerekend.
486. Naar ik heb betoogd, is de laedens niet aansprakelijk voor de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade indien zich niet laat vaststellen dat met het recht waarop inbreuk is gemaakt of met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de veroorzaakte schadesituatie, terwijl tevens duidelijk is dat de laedens, zelfs als hij schuld heeft of zou hebben gehad aan de onrechtmatige daad, zich niet op grond van het ongeschreven recht anders had dienen te gedragen ter voorkoming van de schade zoals geleden. Mogelijk is echter dat de door de rechtsinbreuk of de schending van de norm veroorzaakte schadesituatie een grote mate van gelijkenis vertoont – qua persoon van gelaedeerde, het soort schade en de wijze van ontstaan van de schade – met schadesituaties waarvan zich wel positief laat vaststellen dat met het subjectieve recht of met de norm beoogd is daartegen te beschermen. Deze gelijkenis kan maken dat wel aansprakelijkheid voor de schade zoals geleden bestaat.
Illustratief is het Spitzhacke Fall.1 Een aannemer brak in opdracht van de gemeente een straat open. De straat werd in verband met deze werkzaamheden afgezet, maar het trottoir niet. Een passerende voetganger werd getroffen door een metaalsplinter die vanaf een nieuw pikhouweel sprong. Vast kwam te staan dat het trottoir afgezet had dienen te worden ter voorkoming van het getroffen worden van voetgangers door stukken steen bij het openhakken van de straat. Ook werd vastgesteld dat indien het trottoir adequaat zou zijn afgezet, de voetganger niet door de metaalsplinter was getroffen. Het Bundesgerichtshof oordeelde dat ook aansprakelijkheid bestond voor de door de metaalsplinter veroorzaakte schade en motiveerde: “Daß demnach mit Splittern von Stein in der Regel und mit solchen aus Metall kaum jemals zu rechnen ist, kann indessen solange keinen Unterschied machen, als ein Unfall sich innerhalb der Zone der gewöhnlichen Splitterwirkung ereignet. Auch Absprengungen von Steinen können auf naturgesetzlich seltene Weise zustande kommen, ohne daß es gerechtfertigt wäre, hierauf im Schadensfalle abzustellen.”
Uit deze casus blijkt hoe het normatieve gewicht van de harde kern van het beschermingsbereik van de geschonden norm zich doet gevoelen. Niet laat zich vaststellen dat met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Wanneer niet goed rekening kon worden gehouden met het van een nieuw pikhouweel afspringen van een metaalsplinter, zal de aannemer bovendien geen zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden die bescherming biedt tegen het door zo’n metaalsplinter veroorzaken van schade. In beginsel zou om die reden voor dergelijke schade geen aansprakelijkheid bestaan. De schade zoals geleden vertoont echter een zo grote mate van gelijkenis met de schade in de harde kern van het beschermingsbereik van de geschonden norm waarvoor wel aansprakelijkheid bestaat, dat het niet redelijk zou zijn om deze schade, die bij normconform gedrag niet zou zijn ontstaan, niet aan de normschendende gedraging toe te rekenen. Ook het Bundesgerichtshof bracht tot uitdrukking dat niet gerechtvaardigd is onderscheid te maken tussen schade die is veroorzaakt door een splinter van steen en schade die is veroorzaakt door een splinter van metaal.2
Ingeval de schadesituatie zoals geleden een voldoende mate van gelijkenis vertoont met de schadesituaties waartegen de geschonden norm wel beoogt te beschermen, dient mijns inziens in beginsel toch aansprakelijkheid te bestaan voor de schade zoals geleden en deze schade dus te worden toegerekend. Op dit gebied kunnen zich wellicht ook gevallen voordoen waarbij de reden om wel aansprakelijkheid voor de schade te laten bestaan (de ontstane schadesituatie lijkt sterk op schadesituaties waartegen met het recht waarop inbreuk is gemaakt of met de geschonden wettelijke plicht wel beoogd is te beschermen) en de reden om voor de schade geen aansprakelijkheid te laten bestaan (er geldt geen norm van ongeschreven recht die beschermt tegen de schade zoals geleden) ongeveer even zwaar wegen. In een dergelijk geval lijkt mij denkbaar om de schade over laedens en gelaedeerde te verdelen.3