Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/10.2
10.2 Onrechtmatige daad: criterium, rechtvaardiging en gevallen
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS592178:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 7.2.
Hartlief e.a. 2018 (Lindenbergh), nr. 35.
Verheul 2018, p. 857 en 859.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 45; Hartlief e.a. 2018 (Lindenbergh), nr. 25.
Eggens 1950, p. 453, 454.
Door het arrest op deze manier te begrijpen, wordt voorkomen dat in het arrest toepassing is gegeven aan de leer Smits en spanning ontstaat met de tekst van art. 6:162 BW en met latere jurisprudentie van de Hoge Raad. Zie over die leer § 2.5.3 en 10.4.
Zie hierover § 7.2.2.
Zie § 7.3.1 en vgl. Bloembergen 1993, p. 144, 145.
Zie fraai over de interpretatiemoeilijkheden waartoe dit arrest aanleiding geeft, Nieuwenhuis 1985, p. 88 t/m 93.
Zie hierover § 7.2.2.
Zie hierover § 7.3.3.
Hierbij wordt uitgegaan van de gebruikelijke opvatting over zorgvuldigheidsnormen waarin noodzakelijk is dat de laedens schade aan een bepaald belang kon voorzien of behoorde te voorzien, en niet van de door Sieburgh verdedigde ‘objectieve’ opvatting waarin ook buiten deze situaties iemand nog aan een zorgvuldigheidsnorm gebonden kan zijn (Sieburgh 2000, p. 93); zie nader § 7.3.3.
Zie ook § 10.4 waarin ik bespreek dat hetzelfde probleem speelt bij de leer Smits en de leer van de schuld aan de schade.
Zie § 7.3.3.
Zie § 4.3.2. Opgemerkt zij in dit verband dat de vraag of de schade zoals geleden voorzienbaar is, een andere is dan de vraag of, bij een bepaalde gedraging, voorzienbaar is dat schade geleden kan worden.
Harnett v. Fisher [1927] AC 573.
Het House of Lords oordeelde hier niet over het condicio-sine-qua-non-verband: dan zou immers nodig zijn te bepalen wat zonder de opsluiting door de Commissioner zou zijn gebeurd. Uit de uitspraak blijkt niet goed waarom Harnett meende dat feitelijk causaal verband bestond tussen de onrechtmatige daad van de Commissioner en zijn daaropvolgende opsluiting in de inrichting. Denkbaar is dat Harnett meende dat hij zonder die opsluiting niet in de inrichting zou zijn teruggekeerd. Voor mijn betoog doet dat niet ter zake: feitelijk causaal verband zou kunnen bestaan en dan illustreert dit voorbeeld dat niet de onvoorzienbaarheid van schade, maar het niet bestaan van een zorgvuldigheidsnorm aan toerekening in de weg staat.
Harnett v. Bond [1925] AC 669.
Vgl. – omgekeerd – Kramer 2005, p. 254 “The more detailed the underlying obligation (…) the more work the right does in determining the remedy and the less work there is left for external policies and rules.” en in vergelijkbare zin Friedmann 1995, p. 639 en Smith 2004, p. 393, 394.
Vgl. ook Bloembergen 1993, p. 144, 145.
Zie § 7.3.3.
Vgl. Stoll 1968, p. 25, die voor de vergelijkbare leer van de schuld aan de schade tot dezelfde conclusie komt en Moore 2009, p. 217 e.v. die hetzelfde aantoont voor de harm-withing-the-risk-test.
Overseas Tankship (UK) Ltd. v. Morts Dock and Engineering Co. Ltd. (The Wagon Mound No. 1) [1961] UKPC 2; [1961] AC 388; [1961] 1 All ER 404.
Zie § 11.2.
Zie over de term secundair gelaedeerde nr. 153.
BGH 9 december 2014, NJW 2015, 1174.
De literatuur hierover is omvangrijk; ik noem slechts: Bloembergen 1965, nr. 169; Spier & Haazen 1998, p. 6 e.v.; Koziol 2006, p. 875 e.v.; en Van Dam 2013, p. 209. Kritisch over deze gedachte zijn Perry 1992, p. 262 e.v.; Stapleton 2002, p. 536, 543 e.v.; en Van Boom 2004, p. 33 e.v.
Verheij 2016, p. 1328 e.v. meent dat op deze grond de niet-aansprakelijkheid in deze casus zich laat verklaren.
Vgl. ook Giesen 2005, p. 154.
Perry 1992, p. 265, 267.
Zie nader § 1.3.
Op dezelfde wijze laat zich beredeneren de uitkomst waartoe Rb. Almelo 25 oktober 2005, NJF 2006/43 (Sesam/Vredestein Banden) kwam.
Algemeen
476. Indien zich laat vaststellen dat met het recht waarop inbreuk is gemaakt of met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, doet het voor de aansprakelijkheid voor deze schade niet ter zake of al dan niet door de laedens tegelijkertijd een zorgvuldigheidsnorm is geschonden. De schadesituatie ligt dan immers in de harde kern van het beschermingsbereik van dit recht of deze norm. De aansprakelijkheid van de laedens voor deze schade laat zich dan rechtvaardigen op de grond dat met dit recht of deze norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden.1
In het diffuse gedeelte van het beschermingsbereik van het recht of de norm, waar zich niet laat vaststellen dat met het recht of de norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, wordt het anders. Het doel van het recht of de norm noopt er nu niet meer toe de schade toe te rekenen. Het gegeven dat de laedens op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt niet gehouden was zijn gedrag met het oog op het geschade belang van de gelaedeerde aan te passen, maakt dat het meer in het algemeen kennelijk niet ontoelaatbaar wordt geacht om in het maatschappelijke verkeer dergelijke schade toe te brengen. Naar ik meen biedt het gegeven dat de laedens met een bepaalde gedraging inbreuk op een recht heeft gemaakt of een wettelijke norm heeft geschonden, terwijl zich niet laat vaststellen dat met dit recht of deze norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, onvoldoende rechtvaardiging om aansprakelijkheid te laten bestaan voor de veroorzaakte schade die naar ongeschreven recht rechtmatig kan worden toegebracht. Het is niet eenvoudig om dit nog verder te rationaliseren. In de hierna te bespreken casus uit de zaken Taxusstruik2 en Verstekeling3 spreekt dit ook vrijwel vanzelf. Mogelijk is om te zeggen dat kennelijk het doel van het recht of de norm niet is tegen deze schade te beschermen omdat dit zich niet zou verhouden tot het gegeven dat meer in het algemeen kennelijk niet ontoelaatbaar wordt geacht om in het maatschappelijke verkeer dergelijke schade toe te brengen.
477. Met deze grens aan aansprakelijkheid komt tot uitdrukking dat de bescherming die ongeschreven normen van maatschappelijke betamelijkheid bieden, ook van belang is voor de reikwijdte van aansprakelijkheid vanwege de inbreuk op een recht of de schending van een wettelijke plicht. Al bij de vraag of überhaupt sprake is van de inbreuk op een recht of de schending van een wettelijke plicht, kunnen deze normen van ongeschreven recht van invloed zijn, juist waar het subjectieve recht of de wettelijke plicht meer algemeen omschreven is en daardoor minder goed is toegesneden op de omstandigheden van het geval.
Lindenbergh heeft geschreven dat naarmate het subjectieve recht vager en algemener omschreven is, bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onrechtmatige rechtsinbreuk meer een beroep zal moeten worden gedaan op een belangenafweging waarbij ongeschreven normen een belangrijke rol spelen.4 Verheul heeft betoogd dat de vaststelling van de omvang van een subjectief recht soms bepaald wordt aan de hand van open normen. Volgens hem is dit in het bijzonder het geval waar de inhoud van het subjectieve recht niet gedetailleerd is vastgesteld in de wet en een nadere afbakening dus wordt overgelaten aan het ongeschreven recht.5 In bijvoorbeeld het geval van hinder wordt het antwoord op de vraag welke belemmering van het genot van een eigendomsrecht de eigenaar niet behoeft te dulden, en daarmee de omvang van het eigendomsrecht, met name bepaald door hetgeen in het maatschappelijk verkeer volgens ongeschreven recht betaamt.6 Voor wettelijke plichten geldt ook dat waar zij minder duidelijk in de wet zijn geformuleerd, bij de uitleg van zo’n plicht van belang kan worden hetgeen in het maatschappelijk verkeer naar ongeschreven recht betaamt.7 Eggens schreef “(…) geen enkele rechtsnorm heeft absolute waarde, alle zijn tot elkaar betrokken, bepalen elkander in wederkerigheid”.8
De normen van ongeschreven recht kunnen dus van betekenis zijn bij de nadere invulling van de omvang van subjectieve rechten of van de inhoud van een wettelijke plicht, juist waar deze omvang of inhoud minder duidelijk is gegeven. Evenzo kan, naar ik meen en in dit hoofdstuk verder uitwerk, de bescherming die beoogd is met de normen van ongeschreven recht van belang zijn om de met een subjectief recht of een wettelijke plicht gegeven bescherming nader in te vullen, juist waar de omvang van deze bescherming niet duidelijk volgt uit het recht of de plicht zelf.
Twee gevallen uit de jurisprudentie
478. Uit het gegeven dat tegelijk met de rechtsinbreuk of de schending van de wettelijke plicht niet tevens een ongeschreven norm is geschonden waarmee beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, kan op vanzelfsprekende wijze volgen dat geen aansprakelijkheid voor die schade dient te bestaan. In het navolgende bespreek ik een casus zowel voor de situatie waarin door een rechtsinbreuk schade wordt veroorzaakt als voor de situatie waarin door het handelen in strijd met een wettelijke plicht schade wordt veroorzaakt. Allereerst komt aan de orde Taxusstruik9 voor de situatie van de inbreuk op een recht.
Broen deponeerde een taxusstruik direct naast of op het perceel dat aan zijn buurman Hulsbosch toebehoorde. Een paard van Hulsbosch at van de taxusstruik en kwam ten gevolge daarvan te overlijden. Omdat Broen niet wist of behoefde te weten dat inwendig gebruik van taxus voor paarden fataal kan zijn, en dit ook geen feit van algemene bekendheid was, was voor Broen niet voorzienbaar dat Hulsbosch schade zou lijden. Op die grond oordeelde het hof, later gesanctioneerd door de Hoge Raad, dat Broen niet in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid heeft gehandeld. De Hoge Raad oordeelde tevens: “een inbreuk op het eigendomsrecht van Hulsbosch, die uitsluitend bestaat in het boven diens grond hebben van een gedeelte van een losliggende struik, [vestigt] nog niet een aansprakelijkheid voor een vergiftiging als hier heeft plaatsgevonden, in het bijzonder niet indien degeen die de struik aldus heeft neergelegd, niet wist of behoefde te weten dat die struik vergiftig was.” (rov. 3.3).
De Hoge Raad formuleerde zijn, hiervoor geciteerde, oordeel zodanig dat in het midden blijft of de inbreuk op het eigendomsrecht een onrechtmatige daad opleverde. Een gelukkige interpretatie van dit oordeel is mijns inziens dat wel sprake is van een onrechtmatige daad, maar dat hiermee nog geen aansprakelijkheid voor de vergiftiging is gevestigd omdat deze aansprakelijkheid niet zover reikt dat zij ook de vergiftigingsschade omvat.10 De vraag rijst dan waarom deze aansprakelijkheid niet zover reikt. Het uitleggen van het eigendomsrecht (op het perceel) waarop inbreuk is gemaakt, leidt mijns inziens niet tot duidelijkheid over de reikwijdte van de aansprakelijkheid. Met dat eigendomsrecht wordt mijns inziens namelijk ook beoogd de eigenaar het ongestoorde genot te geven van de zaak, in dit geval het perceel, waarop het recht betrekking heeft. De vergiftigingsschade is schade ontstaan doordat Hulsbosch dit ongestoord genot niet heeft gehad. Enerzijds is de schade door de vergiftiging niet een basale of klaarblijkelijk niet-relevant andere schadesituatie, zodat zich niet laat vaststellen dat het bestaan van dit eigendomsrecht niet te verenigen zou zijn met het niet laten bestaan van aansprakelijkheid voor deze schade.11 Anderzijds kan mijns inziens ook niet worden gezegd dat met het eigendomsrecht niet is beoogd tegen deze schade te beschermen.12 Bij deze onduidelijkheid brengt mijns inziens de omstandigheid dat wél duidelijk is dat Broen geen norm van ongeschreven recht heeft geschonden waarmee werd beschermd tegen de schade zoals geleden, ook mee dat de aansprakelijkheid vanwege de rechtsinbreuk niet omvat de schade zoals geleden. Het arrest van de Hoge Raad laat zich ook aldus begrijpen.
479. Voor de situatie van de schending van een wettelijke plicht bespreek ik Verstekeling13
Van den Akker vloog met zijn bestelauto uit een scherpe bocht en vervolgens ook over de kop. Jansen had zich zonder medeweten van Van den Akker in de laadruimte van de bestelauto verschanst en liep bij het ongeval ernstig letsel op. Jansen sprak Van den Akker aan tot schadevergoeding. Van den Akker had door zijn rijgedrag in ieder geval art. 25 WVW (de veiligheid op de weg in gevaar brengen) geschonden en de schade van Jansen was daarvan ook het gevolg. De Hoge Raad oordeelde dat het hof “terecht” had geoordeeld dat “het onjuiste verkeersgedrag van Van den Akker tegenover Jansen geen onrechtmatige daad opleverde” omdat “Van den Akker niet bedacht hoefde te zijn op de aanwezigheid van mensen in de laadruimte van zijn auto, en in zijn verkeersgedrag dus ook niet met eventueel daaraan verbonden gevaren voor het welzijn van deze mensen rekening behoefde te houden” (rov. 3).
Een mijns inziens gelukkige interpretatie van dit arrest is, dat een grens aan de reikwijdte van aansprakelijkheid van de door de schending van een wettelijke plicht veroorzaakte schade wordt gevonden aan de hand van gedragsnormen van ongeschreven recht.14 Met de geschonden wettelijke plicht zal in het algemeen beoogd zijn te beschermen tegen letsel dat door onveilig verkeersgedrag kan ontstaan. Geen sprake is echter van een basale of niet relevant andere schadesituatie zodat zich niet laat vaststellen dat met de wettelijke plicht ook beoogd is te beschermen tegen de ontstane schadesituatie.15 Bij deze onduidelijkheid wordt de door normen van ongeschreven recht geboden bescherming van belang. Omdat deze normen slechts belangen beschermen waarop men bedacht is of dient te zijn,16 laat zich vaststellen dat Jansen niet werd beschermd door een voor Van den Akker geldende norm van ongeschreven recht. Dat gegeven brengt mee dat de door de schending van een wettelijke plicht veroorzaakte schade niet toerekenbaar is.
Nadere uitwerking criterium: rechtsinbreuk of schending wettelijke plicht die niet aan schuld te wijten is
480. Men zou aldus tot het criterium kunnen komen dat indien zich niet laat vaststellen dat met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, het gegeven dat door de laedens niet tevens een norm van ongeschreven recht is geschonden waarmee wel beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, maakt dat voor deze schade geen aansprakelijkheid bestaat. Dat criterium zou echter aansprakelijkheid te scherp begrenzen in de gevallen waarin de onrechtmatige daad niet op grond van schuld maar enkel op grond van de wet of de verkeersopvattingen kan worden toegerekend. In de gevallen waarin de onrechtmatige daad enkel op grond van de wet of de verkeersopvattingen kan worden toegerekend, kan namelijk de laedens geen verwijt worden gemaakt van de door hem gepleegde rechtsinbreuk of gedraging in strijd met een wettelijke plicht. In het algemeen zal door de laedens dan niet maatschappelijk onzorgvuldig zijn gehandeld.17
Ik geef enkele voorbeelden. Iemand legt beslag bij een vermeende schuldenaar. Achteraf blijkt diegene geen aanspraak op de vermeende schuldenaar te hebben gehad. De beslaglegger zal doorgaans door het leggen van beslag geen zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden. Wel is het leggen van beslag onrechtmatig omdat sprake is van een rechtsinbreuk. Deze rechtsinbreuk kan niet op grond van schuld aan de beslaglegger worden toegerekend, omdat deze niet het verwijt kan worden gemaakt anders te hebben moeten handelen. Wel is de rechtsinbreuk toerekenbaar op grond van de verkeersopvattingen. Ook valt te denken aan aansprakelijkheid van de overheid vanwege het nemen van een besluit dat wordt vernietigd op grond van een wetsuitleg die voor het bestuursorgaan niet voorzienbaar was.18 Ook dan is geen sprake van schending van een zorgvuldigheidsnorm. De onrechtmatige daad bestaande uit het nemen van een later vernietigd besluit, is niet op grond van schuld toerekenbaar omdat het bestuursorgaan niet verweten kan worden anders te hebben moeten handelen. Wel is de onrechtmatige daad toerekenbaar op grond van de verkeersopvattingen.
Het zonder meer volgen van de regel dat voor de door een rechtsinbreuk of de schending van een wettelijke plicht veroorzaakte schade geen aansprakelijkheid bestaat indien met dat recht of met die plicht niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden en duidelijk is dat de laedens niet tevens een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden waarmee beoogd is te beschermen tegen deze schade zoals geleden, zou in deze gevallen doorgaans meebrengen dat geen aansprakelijkheid voor de veroorzaakte schade bestaat. Dat zou mijns inziens in strijd zijn met het bestaan van de mogelijkheid om een onrechtmatige daad ook zonder dat sprake is van schuld, toe te rekenen en de daarmee impliciet gegeven mogelijkheid dat ook dan een verplichting tot vergoeding van de door zo’n onrechtmatige daad veroorzaakte schade kan bestaan. Het zou immers weinig zin hebben om ook zonder schuld een onrechtmatige daad toe te kunnen rekenen als vervolgens steeds geconcludeerd zou worden dat wel aansprakelijkheid bestaat maar niet voor de daardoor veroorzaakte schade. Om deze reden is nodig het begrenzingscriterium enigszins te nuanceren.19
481. Indien, zoals meestal het geval is, de rechtsinbreuk of de schending van de wettelijke plicht aan schuld van de laedens te wijten is, kan worden getoetst of de laedens geen zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden waarmee beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Hier is geen bijstelling nodig. Indien de onrechtmatige daad niet aan schuld van de laedens te wijten is, kan worden onderzocht of in de situatie waarin dezelfde onrechtmatige daad wel aan de schuld van de laedens te wijten zou zijn geweest, de laedens tevens een zorgvuldigheidsnorm zou hebben geschonden waarmee beoogd is de gelaedeerde te beschermen tegen de schade zoals geleden. Het niet door de laedens schenden van zo’n zorgvuldigheidsnorm in deze hypothetische situatie kan vervolgens beslissend worden gemaakt bij de begrenzing van aansprakelijkheid.
Het erbij denken van schuld is in het algemeen betrekkelijk eenvoudig. In het hiervoor gegeven voorbeeld van de rechtsinbreuk door beslaglegging dient dan te worden verondersteld dat de beslaglegger weet dat hij geen vordering heeft op zijn schuldenaar waardoor hij schuld krijgt aan de rechtsinbreuk.
Hanteert men deze bijstelling, dan is het probleem opgelost dat de regel tot een te scherpe begrenzing van aansprakelijkheid leidt ingeval de onrechtmatige daad slechts op grond van de wet of de verkeersopvattingen kan worden toegerekend. Beslissend dient om deze reden mijns inziens niet te zijn of voor de laedens geen zorgvuldigheidsnorm gold waarmee beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden. In plaats daarvan is beslissend of de laedens, indien de onrechtmatige daad aan zijn of haar schuld te wijten is of zou zijn geweest, een dergelijke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden respectievelijk zou hebben geschonden.
Voorzienbaarheid van schade als factor
482. Het hangt van de omstandigheden van het geval af, of de laedens die zich onrechtmatig gedraagt, tevens een zorgvuldigheidsnorm schendt of zou schenden waarmee beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Een wezenlijke omstandigheid in dit verband is of de laedens het gevaar, waarvan de schade zoals geleden als verwezenlijking kan gelden, voorzag of behoorde te voorzien. Indien de laedens niet een dergelijk gevaar voorzag of behoorde te voorzien, dan heeft hij in ieder geval geen zorgvuldigheidsnorm geschonden ter bescherming van dit gevaar.20 Aldus zien we dat de voorzienbaarheid van schade op deze wijze een rol speelt bij de begrenzing van aansprakelijkheid.
Het gaat hier niet om de voorzienbaarheid van de schade zoals geleden, maar om de voorzienbaarheid van een gevaar in abstracto dat zich nog op allerlei, soms onvoorzienbare, manieren zou kunnen verwezenlijken.
De vraag rijst of het, anders dan ik in dit hoofdstuk betoog, in plaats van het niet-bestaan van de zorgvuldigheidsnorm, niet eigenlijk de onvoorzienbaarheid van de schade is die de reikwijdte van aansprakelijkheid begrenst. In de verschillende eerder in dit hoofdstuk behandelde casus zou men bijvoorbeeld kunnen menen dat het gegeven dat de laedens de schade zoals geleden niet voorzag of behoefde te voorzien, maakt dat geen aansprakelijkheid bestaat voor ten gevolge van de rechtsinbreuk of de schending van de wettelijke plicht geleden schade. Op die grond zou men tot de opvatting kunnen komen dat de begrenzing van aansprakelijkheid aan de hand van het niet-bestaan van een zorgvuldigheidsnorm onnodig gecompliceerd is.
Het antwoord op deze vraag is mijns inziens dat de beslissende omstandigheid het niet-bestaan van de zorgvuldigheidsnorm is en niet de onvoorzienbaarheid van de schade zoals geleden. Voorop kan worden gesteld dat, zoals wij eerder zagen, de voorzienbaarheid van de schade zoals geleden steeds afhangt van de wijze waarop de schade wordt beschreven en daarom als criterium of factor bij de bepaling van de reikwijdte van aansprakelijkheid niet bruikbaar is.21 Om dit probleem met de bepaling van de voorzienbaarheid van de schade zoals geleden te ontlopen, zou men wel kunnen bezien of vooraf een gevaar voorzienbaar was, waarvan zich laat vaststellen dat de schade zoals geleden kan gelden als verwezenlijking van dit gevaar. Op deze manier raken wij al dicht in de buurt van het toetsen of een concrete zorgvuldigheidsnorm geldt. De reden dat niet beslissend is de onvoorzienbaarheid van het gevaar waarvan de ontstane schade geldt als verwezenlijking, maar het niet voor de laedens gelden van een zorgvuldigheidsnorm waarmee beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, is de volgende. Mogelijk is dat dit gevaar wel voorzienbaar was, maar niet zo’n norm van ongeschreven recht voor de laedens gold en de aansprakelijkheid zich niet dient uit te strekken tot de schade zoals geleden. Mogelijk is met andere woorden dat om een andere reden dan de onvoorzienbaarheid van het gevaar, de laedens niet tegelijkertijd met de rechtsinbreuk of de schending van een wettelijke plicht een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden waarmee beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Ook dan dient de laedens niet aansprakelijk te zijn voor deze schade.
De volgende casus illustreert dit. Op grond van een verklaring van een arts werd Harnett opgenomen in een gesloten psychiatrische inrichting. Ongeveer een maand na de opname wendde Harnett zich tijdens een proefverlof van achtentwintig dagen vrijwel dadelijk tot een zogenoemde ‘Commissioner in Lunacy’ teneinde aan te kaarten dat hij, zijns inziens, ten onrechte was opgesloten. Deze Commissioner meende dat Harnett niet in een ‘fit state of mind’ was, vroeg de inrichting telefonisch om Harnett op te komen halen en sloot intussen Harnett drie uur lang op. Harnett verbleef vervolgens nog bijna negen jaar in psychiatrische inrichtingen, waarna hij wist te ontsnappen. Vastgesteld werd vervolgens dat Harnett ten onrechte was opgenomen. Harnett sprak zowel de arts aan die de initiële verklaring had gegeven op grond waarvan hij was opgenomen, als de Commissioner die hem tijdelijk had opgesloten. Op de grond dat de initiële verklaring onjuist en onrechtmatig was, werd de arts veroordeeld tot vergoeding van de schade die Harnett had geleden gedurende de gehele periode dat hij ten onrechte opgenomen was.22 De Commissioner die onrechtmatig had gehandeld door Harnett door opsluiting korte tijd van zijn vrijheid te beroven, werd aansprakelijk geoordeeld voor schade die was ontstaan tot op het moment dat Harnett werd opgehaald door de medewerkers van de psychiatrische inrichting: het House of Lords achtte het causale verband met de verdere door Harnett geleden schade ‘verbroken’23 door de ‘novus actus interveniens’ van de vervolgopsluiting door de medewerkers van de psychiatrische inrichting.24
Naar Nederlands recht zou de Commissioner door het opsluiten van Harnett inbreuk maken op het vrijheidsrecht van Harnett en bovendien een wettelijke verplichting schenden (vgl. art. 282 Sr). Niet laat zich vaststellen dat deze algemene normen juist beogen te beschermen tegen de schade zoals Harnett vervolgens gedurende een periode van negen jaar heeft geleden. Het voorzienbare gevolg van de opsluiting door de Commissioner is dat Harnett vervolgens weer zal worden opgenomen in een psychiatrische inrichting. De Commissioner schendt, ondanks dit voorzienbare gevolg, door het opsluiten van Harnett niet tevens een zorgvuldigheidsnorm waarmee beoogd is te beschermen tegen het opgesloten zijn in een psychiatrische inrichting. Hier is sprake van nadeel – het op door de wet gereguleerde wijze worden opgenomen in een gesloten inrichting – dat men, ook waar het voorzienbaar is, naar ongeschreven recht mag toebrengen. Dát gegeven maakt dat de aansprakelijkheid zich niet uitstrekt tot deze schade. Het voor de reikwijdte van aansprakelijkheid beslissende gegeven is aldus het niet-bestaan van een zorgvuldigheidsnorm waarmee beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden en niet de onvoorzienbaarheid van het gevaar van het ontstaan van de schade.
De begrenzing bij normen van ongeschreven recht
483. De onderhavige grens aan de reikwijdte van aansprakelijkheid heeft vooral betekenis bij rechten en normen met een sterk algemeen karakter. Het algemene karakter van deze rechten en normen brengt mee dat deze rechten en normen in heel diverse situaties op heel uiteenlopende wijzen kunnen worden geschonden. Juist omdat schending van zo’n algemeen recht of algemene norm op heel uiteenlopende manieren tot schade kan leiden, laat zich veelal niet goed door uitleg van het recht of van de norm vaststellen of met het recht of met de norm wel of niet beoogd is te beschermen tegen deze schade.25 Juist dan is het nodig om op een andere wijze de grens aan aansprakelijkheid te bepalen en juist dan heeft hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt betekenis.26
De grens is hierom vooral van belang in het geval van een rechtsinbreuk en in het geval van de schending van wettelijke plichten. In het geval van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen zal de hier behandelde grens veelal samenvallen met de in hoofdstuk 8 besproken grens dat de schade niet beantwoordt aan het doel van de geschonden norm.
De volgende casus illustreert dit. Ubbink liet haar werknemers de vloer van een bedrijfshal met de stof Pulga TM egaliseren. Op het etiket op de jerrycan waarin deze stof zich bevond, stond dat de stof niet in een afgesloten ruimte verwerkt diende te worden omdat het inademen van dampen gevaarlijk is. In weerwil van dit voorschrift werd de stof verwerkt in een afgesloten bedrijfshal. In die bedrijfshal ontstond een zeer felle en snel om zich heen grijpende brand, naar achteraf bleek, doordat een vonk de brandbare damp van de stof had ontstoken. De gesubrogeerde verzekeraar van de eigenaar van de bedrijfshal sprak Ubbink aan tot schadevergoeding op de grond dat als conform het voorschrift de hal zou zijn geventileerd de brand niet zou zijn ontstaan. Het hof wees deze vordering af. De Hoge Raad sanctioneerde dat oordeel met de motivering dat het gevaar waarop de waarschuwing op het etiket betrekking had, zich niet had verwezenlijkt.27 Deze uitkomst kan men ook bereiken door de toepassing van de hier behandelde grens aan de reikwijdte van aansprakelijkheid: geen zorgvuldigheidsnorm bestaat immers, ook niet als Ubbink schuld aan de geschonden norm heeft of zou hebben, die beschermt tegen de schade zoals geleden.
Hier zien we dat het doel van een norm van ongeschreven recht op twee manieren duidelijk kan worden gemaakt. Enerzijds kan men zeggen dat het doel van zo’n norm is het voorkomen van het voorzienbare gevaar met het oog waarop men anders had dienen te handelen.28 Anderzijds heeft het gegeven dat geen zorgvuldigheidsnorm bestaat waarmee beoogd is te beschermen tegen het risico dat zich heeft verwezenlijkt, de wetssystematische betekenis dat met de geschonden zorgvuldigheidsnorm ook niet tegen deze schade beoogd is te beschermen. Het gaat hier vanzelfsprekend om twee kanten van dezelfde medaille.
De begrenzing in het geval van verder weg liggende schade en bij een secundair gelaedeerde
484. De onderhavige grens is vooral van belang bij schade die relatief ‘dicht’ bij de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis ligt.29 Juist voor deze schade legt het mijns inziens duidelijk gewicht in de schaal wanneer duidelijk is dat de laedens geen zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden waarmee beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Soms lijdt een gelaedeerde ten gevolge van een onrechtmatige daad schade, en leidt dat eerste schadelijke gevolg tot verdere schade voor die gelaedeerde. Veelal laat zich dan niet met voldoende zekerheid vaststellen dat de laedens niet tevens een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden waarmee beschermd wordt tegen die verder weg liggende schade. Onder omstandigheden kan niettemin de in dit hoofdstuk besproken grens ook worden gebruikt om aansprakelijkheid voor verder weg liggende schade uit te sluiten.
In de haven van Sydney nam een schip bunkerolie in. Een grote hoeveelheid bunkerolie lekte hierbij in het water. De bunkerolie spoelde na enkele uren aan bij een werf waar op dat moment laswerkzaamheden werden uitgevoerd. Algemeen werd aangenomen dat bunkerolie op water niet brandbaar was, maar toen hete deeltjes metaal in aanraking met de bunkerolie kwamen, vatte de olie toch vlam. De werf werd door de daaropvolgende brand grotendeels verwoest. De eigenaar van de werf sprak de voor het schip verantwoordelijken aan tot schadevergoeding. Het laten weglekken van olie in een zeehaven werd onrechtmatig geoordeeld. Op de grond dat de laedens niet wist en redelijkerwijs ook niet behoefde te weten dat bunkerolie op water brandbaar was, oordeelde de Judicial Committee of the Privy Council dat de schadevergoedingsverplichting zich niet uitstrekte tot de schade die door de brand was veroorzaakt.30
In deze zaak zou aansprakelijkheid bestaan voor het eerste schadelijke gevolg: de verontreiniging van de werf met bunkerolie. Indien de gelaedeerde ten gevolge van onrechtmatige daad schade heeft geleden waarvoor de laedens aansprakelijk is, is de laedens doorgaans ook aansprakelijk voor de schade die de gelaedeerde lijdt ten gevolge van dat eerste schadelijke gevolg.31 In dit geval doet zich echter de bijzonderheid voor dat vanwege de onvoorzienbaarheid van de brandbaarheid van de bunkerolie duidelijk is dat, zelfs als schuld aan het weglekken van de bunkerolie bestond of zou hebben bestaan, geen zorgvuldigheidsnorm is geschonden die beschermde tegen de mogelijkheid van brand. Het niet-bestaan van deze zorgvuldigheidsnorm maakt dat de aansprakelijkheid zich niet uitstrekt tot de door brand veroorzaakte schade.
485. De in dit hoofdstuk behandelde grens kan mijns inziens ook goede diensten bewijzen bij de begrenzing van door secundair gelaedeerden32 geleden schade.
Een trailer vervoerde een graafmachine over de snelweg. De arm van deze machine was niet volledig naar beneden gebogen waardoor de combinatie een hoogte had van bijna vijf meter. De combinatie kwam door deze te grote hoogte in aanrijding met een brug over de snelweg. De brug raakte daardoor ernstig beschadigd. Vanwege instortingsgevaar moest de snelweg enkele dagen worden afgesloten zodat reparatiewerkzaamheden plaats konden vinden. Op de radio werd automobilisten aanbevolen met een behoorlijke omweg om te rijden. Net buiten het afgesloten weggedeelte lag een Autobahnrastanlage waar het gedurende de afsluiting minder druk was dan gewoonlijk. De eigenaar stelde door de afsluiting in enkele dagen een schade van ongeveer € 38.000,- te hebben geleden. De aanspraak op schadevergoeding van deze eigenaar tegen de vervoerder van de graafmachine werd in drie Duitse rechterlijke instanties afgewezen. Niet in geschil was dat door de beschadiging van de brug door de vervoerder normen uit de Straßenverkehrsordnung waren geschonden. Het Bundesgerichtshof oordeelde echter dat voor zover die normen “den Straßenverkehr selbst vor Störungen schützen wollen, dienen sie allein dem öffentlichen Interesse und nicht auch den Vermögensinteressen derjenigen, die von einer Verkehrsstörung und der daraus folgenden Beschränkung der Nutzbarkeit einer Straße besonders betroffen sind”.33
Naar Nederlands recht zou in deze zaak in strijd zijn gehandeld met (onder meer) art. 5 en 25 WVW.34 Men zou dan, net zoals het Bundesgerichtshof doet, kunnen zeggen dat dit voorschrift niet strekt tot bescherming van personen die schade lijden doordat vanwege een ongeval de weg enige tijd niet goed bruikbaar meer is. Hoewel die uitkomst aanspreekt, rijst de vraag hoe tot een dergelijke beperking van het beschermingsbereik gekomen wordt: naar ik meen blijkt namelijk niet dat de wetgever dat daadwerkelijk niet heeft beoogd, en geeft men slechts een redelijke uitleg aan de beoogde bescherming. Verklaard dient dan te worden waarom deze uitleg redelijk is.
Gebruikelijk is om in dit soort zaken op het ‘floodgate’-argument35 te wijzen: als door ongevallen veroorzaakte zuivere vermogensschade van secundair gelaedeerden voor vergoeding in aanmerking zou komen, dan wordt de aansprakelijkheidslast ondragelijk groot.36 Naar ik meen is dat, ook nogal gemakkelijke,37 argument niet steeds overtuigend. In bovenstaande casus is de schade van de eigenaar van de Autobahnrastanlage relatief gering, zeker in verhouding tot de vermoedelijke kosten van het herstel van de brug. Het ook voor vergoeding in aanmerking laten komen van deze schade verhoogt de aansprakelijkheidslast nauwelijks. Het voor vergoeding in aanmerking laten komen van deze schade noopt er, naar ik meen, ook niet zonder meer toe om ook de schade van alle verkeersdeelnemers die door file of het moeten omrijden vertraging opliepen, voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Waar de aansprakelijkheid in een concreet geval ondragelijk wordt, is bovendien steeds mogelijk om de aanspraak op schadevergoeding te matigen (art. 6:109 BW). Om deze redenen laat zich naar mijn mening niet goed inzien waarom de eigenaar van de Autobahnrastanlage een aanspraak op schadevergoeding ontzegd zou moeten worden omdat anders de aansprakelijkheidslast ondragelijk zou worden.
De reden waarom het niet redelijk is om de schade van de eigenaar van de Autobahnrastanlage voor vergoeding in aanmerking te laten komen, moet daarom elders worden gezocht. Naar mijn mening geeft Perry een bruikbaar uitgangspunt waar hij schrijft dat:
“(…) in a market based economy in a liberal society individual economic interests are inevitably subject to a broad range of interference, which may well be intentional in character, by other persons. (…) The problem in the unrestricted case [waar alle gelaedeerden in een schadeketen hun schade vergoed zouden krijgen] is not merely that liability would be extensive [het ‘floodgate’-probleem], but rather that unrestricted liability would not be compatible with the inherently vulnerable nature of economic interests.”38
De gedachte van Perry is dat het recht in het algemeen toelaat dat personen elkaar, soms zelfs opzettelijk, schade in de economische sfeer toebrengen. Volgens Perry zou zich met dat gegeven niet laten verenigen om tot vergoeding van dergelijke schade te verplichten wanneer zij ontstaat als een min of meer toevallig gevolg van een jegens een ander gepleegde onrechtmatige daad. Deze gedachte, die aansluit bij het methodologische vertrekpunt van dit proefschrift,39 laat zich goed operationaliseren met de in dit hoofdstuk behandelde grens aan de reikwijdte van aansprakelijkheid. Naar ongeschreven recht is het toebrengen van zuivere vermogensschade binnen tamelijk ruime grenzen toegestaan. In het bijzonder is bijvoorbeeld als uitgangspunt toegestaan dat restauranthouders elkaar door concurrentie schade toebrengen. Met het beschadigen van het viaduct wordt door de laedens naar ik meen niet tevens een zorgvuldigheidsnorm geschonden waarmee beoogd is om de eigenaar van de Autobahnrastanlage tegen omzetderving te beschermen.40 Omdat zich ook niet positief laat vaststellen dat met de geschonden wettelijke norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, reikt de aansprakelijkheid vanwege de schending van die norm niet zover dat daar ook de zuivere vermogensschade van de eigenaar van de Autobahnrastanlage onder valt.
Door op deze wijze aansprakelijkheid te begrenzen met behulp van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen, verandert de relativiteits- en toerekeningsvraag deels in een probleem van het al dan niet bestaan van zo’n zorgvuldigheidsnorm. Het is zeker niet zo dat daarmee in alle gevallen volkomen helderheid over de grenzen aan aansprakelijkheid wordt verkregen. Soms is dat echter wel het geval zoals blijkt uit de in het voorgaande besproken casus. Verder wordt naar ik meen in ieder geval op deze wijze een gelukkiger kader geboden om het probleem van het vinden van de grens aan aansprakelijkheid op te lossen. Het nader bespreken van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen valt buiten het bestek van dit boek.