Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/6.3
6.3 De start
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Het Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt bijvoorbeeld in een zaak die tot het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2003, NJ 2003, 420 leidt, dat de uitgevoerde misdaadanalyse vooraf gaat aan een in te stellen verkennend onderzoek ex art. 126gg Sv.
Zie in dit verband ook het Handboek voor de opsporingspraktijk, Stcrt. 2007, 239, p. 11.
Zie de memorie van toelichting bij de Wet BOB, Kamerstukken II 1996-1997, 25 403, nr. 3 en het Handboek voor de opsporingspraktijk, Stcrt. 2007, 239, p. 11.
Handboek voor de opsporingspraktijk, Stcrt. 2007, 239, p. 11.
Zie in dit verband D. van der Bel, A.M. van Hoorn & J.J.T.M. Pieters, Informatie en Opsporing. Handboek informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking ten behoeve van de opsporingspraktijk, Zeist: Uitgeverij Kerckebosch 2013.
In de zaak die ten grondslag ligt aan het arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 10 april 2009, LJN BI0780 worden bijvoorbeeld al in de projectvoorbereidende fase bijzondere opsporingsbevoegdheden uit titel IVA van de Wet BOB toegepast. Het hof overweegt dat het gebruik van deze bevoegdheden in de voorbereidende fase niet onrechtmatig is, nu gesteld noch gebleken is dat die bevoegdheden zijn gebruikt zonder dat was voldaan aan de voor die bevoegdheden gestelde wettelijke voorwaarden. Zie in dit verband ook Rb. Breda 4 december 2009, LJN BK5301.
Zie Kamerstukken II 2004-2005, 30 164, nr. 3 (MvT).
Zie Y. Buruma, ‘Opvragen, bewerken en kennisnemen van gegevens voor de opsporing’, DD 2010-57.
Zie hierover P.H.P.H.M.C. van Kempen & M.G.J.M. van der Staak, Een meewerkverplichting bij grootschalig DNA-onderzoek in strafzaken?, Deventer: Kluwer 2013.
Zoals eerder aangegeven kan onder andere een criminaliteitsbeeldanalyse vooraf gaan aan een in te stellen verkennend onderzoek.1 Anders gezegd kan een dergelijke analyse de op grond van art. 126gg Sv benodigde aanwijzingen opleveren dat binnen verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld ook voortvloeien uit restinformatie of uit andere bronnen, zoals wetenschappelijk onderzoek. Onder verzamelingen van personen worden natuurlijke personen en rechtspersonen verstaan (bijvoorbeeld coffeeshophouders of geldwisselkantoren).2 Per definitie bestaan alleen tegen het collectief van personen bepaalde aanwijzingen en niet tegen het individu. Deze verzameling van personen zal dientengevolge ook personen omvatten die geenszins strafwaardig hebben gehandeld. Ook deze personen maken niettemin onderdeel uit van het bewuste verkennend onderzoek.
Het starten van een verkennend onderzoek ex art. 126gg Sv vereist een bevel van de officier van justitie. Een officier van justitie die voornemens is een dergelijk onderzoek te starten, dient zich te wenden tot zijn hoofdofficier. Deze zendt het concept van het bevel verkennend onderzoek naar de hoofdofficier van het Landelijk Parket. De hoofdofficier van het Landelijk Parket bekijkt onder meer of mogelijk enige overlap bestaat met al lopende (verkennende) onderzoeken. Voorts dient deze hoofdofficier toestemming te geven alvorens over kan worden gegaan tot het instellen van het verkennende onderzoek. In bepaalde gevallen is daarnaast de toestemming van het College van procureurs-generaal vereist. Dit is onder andere het geval indien het een verkennend onderzoek betreft dat maatschappelijke, politieke, economische of publicitaire consequenties kan hebben.3
Gedurende het verkennende onderzoek worden vervolgens door de politie op grote schaal (persoons)gegevens verzameld en opgeslagen. Dit zijn gegevens die reeds beschikbaar zijn bij de politie, afkomstig zijn uit open bronnen (zoals het internet) dan wel op vrijwillige basis zijn verkregen van publieke of particuliere organisaties. Genoemde (persoons)gegevens worden door de politie geanalyseerd, bewerkt en veredeld. In het verkennend onderzoek naar terroristische misdrijven kunnen op grond van art. 126hh Sv gegevensbestanden van publieke en private organisaties worden verkregen, teneinde de daarin opgenomen gegevens te bewerken. Deze bewerking kan inhouden dat gegevensbestanden met elkaar worden vergeleken, dat de gegevens in combinatie met elkaar worden vergeleken en dat de gegevens in combinatie met elkaar worden verwerkt. Daarnaast kunnen in dit specifieke type verkennend onderzoek op basis van art. 126ii Sv identificerende gegevens (zoals een bankrekeningnummer) worden gevorderd.
De resultaten van het verkennend onderzoek moeten, op het moment dat het verkennend onderzoek wordt beëindigd, worden vastgelegd in een zogenaamde eindrapportage.4 Indien deze eindrapportage aanleiding geeft tot het starten van een opsporingsonderzoek, bijvoorbeeld omdat aldus een concrete verdenking is ontstaan, dan wordt de hieruit afkomstige informatie neergelegd in een startproces-verbaal. Dit proces-verbaal vormt de start voor het nadien in te stellen strafrechtelijk onderzoek. Aldus wordt voor onder meer de rechter en de verdediging inzichtelijk én controleerbaar wat het verkennend onderzoek aan relevante informatie heeft opgeleverd.
Tot op heden zijn er maar een beperkt aantal verkennende onderzoeken ingesteld.5 Ten minste vier oorzaken liggen hieraan wellicht ten grondslag. Een eerste reden hiervan zou kunnen zijn dat titel V van de Wet BOB het mogelijk maakt dat bijzondere opsporingsbevoegdheden kunnen worden ingezet tegen criminele groeperingen die bepaalde misdrijven beramen of plegen zonder dat een concreet misdrijf wordt aangeduid. Met andere woorden kan wettelijk gezien tegen dergelijke groeperingen al in een heel pril stadium een strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld. In sommige gevallen kunnen in dat stadium zelfs al de bevoegdheden van titel IVA van de genoemde wet worden toegepast, omdat er al wel een verdenking van een concreet strafbaar feit bestaat.6 Ten tweede, en dat is toch wel opmerkelijk, wordt nota bene door de wetgever zelf aangegeven dat de gepercipieerde effectiviteit van het verkennend onderzoek beperkt is. Het zou geringe mogelijkheden bieden om gegevens die niet reeds beschikbaar zijn bij de politie, te betrekken bij een dergelijk onderzoek.7 Als de wetgever zich al op deze wijze uitlaat over het verkennend onderzoek, dan kan worden aangenomen dat de politie en het OM soortgelijke ideeën zullen hebben bij het verkennend onderzoek en dientengevolge weinig van deze mogelijkheid gebruik zullen maken. In het licht van het voorgaande is het ten derde voorstelbaar dat de uitgebreide interne procedure die moet worden gevolgd voordat kan worden overgegaan tot een verkennend onderzoek, maakt dat officieren van justitie niet snel geneigd zullen zijn een dergelijk onderzoek in te stellen. Kortom, het feit dat een verkennend onderzoek ex art. 126gg Sv niet of nauwelijks voorkomt, brengt met zich dat op basis hiervan ook vrijwel geen opsporingsonderzoeken zullen starten.
De methodiek van datamining, een kenmerkend element van het verkennend onderzoek ex art. 126gg Sv, wordt echter buiten het bestek van het genoemde artikel meer en meer door de politie aangewend.8 Het in het volgende hoofdstuk te bespreken vergaren van informatie door de FIU-Nederland kan bijvoorbeeld op die manier worden bekeken. Een ander voorbeeld van deze methodiek is het gebruik van het ANPR-systeem, het automatische systeem dat kentekengegevens opslaat die vervolgens door de politie kunnen worden gekoppeld aan of vergeleken met een vergelijkingsbestand. Een dergelijk bestand kan gevuld zijn met politiële gegevens over bijvoorbeeld autodiefstallen of de handel in verdovende middelen. Een ‘hit’ tussen het kenteken en informatie uit het referentiebestand kan aanleiding geven tot het starten van een opsporingsonderzoek en het toepassen van dwangmiddelen, maar kan ook richtinggevend zijn voor een al lopend strafrechtelijk onderzoek. Ten slotte kan ook het uitvoeren van een grootschalig DNA-onderzoek als datamining worden bestempeld.9 De gegevens die uit een dergelijk onderzoek voortkomen zijn echter geen ‘echte’ startinformatie, nu dit onderzoek wordt verricht in een al lopend onderzoek.