Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/6.5
6.5 Afsluiting
prof. mr. J. Polak, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. J. Polak
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zoals bekend hebben de Raad voor de Rechtspraak en de vier hoogste rechters regering en parlement gevraagd hen voorlopig wat institutionele veranderingen betreft met rust te laten.
Wat betreft de toekomst van de bestuursrechtelijke conclusie deed ik dat recent wel in mijn bijdrage ‘De conclusie voorbij. Hoe nu verder?’, NTB 2018/26.
Dat sluit goed aan bij A.J.C. de Moor-van Vugt, ʻRechtseenheid als kwaliteitsvraagstukʼ, in: T. Barhuysen e.a. (red.), Bestuursrecht harmoniseren: 15 jaar Awb, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2010, p. 299-31. Zij benadrukte dat rechtseenheid geen institutioneel vraagstuk is, maar een vraagstuk van kwaliteitszorg van alle betrokkenen. Wel zou het wat mij betreft goed zijn om zoveel mogelijk gevolg te geven aan de voorstellen van de andere Commissie rechtseenheid bestuursrecht onder leiding van M. Scheltema in haar advies Rechtseenheid tussen de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 34389, 9 en deels opgenomen in BA 2016/212; Kabinet neemt voorstellen Commissie rechtseenheid over/T.C. Borman. Dat advies deed voorstellen voor de situatie dat genoemd wetsvoorstel zou worden ingevoerd, maar die deels ook bruikbaar zijn voor een situatie met vier hoogste bestuursrechters. Met de amicus curiae waarvoor de commissie voorstelllen deed, wordt inmiddels al zonder echte wettelijke basis geëxperimenteerd, maar daar zal ook wetgeving voor moeten komen. Zie over het advies van de commissie: R. Ortlep, ʻTussen droom en daad: advies van de Commissie rechtseenheid bestuursrechtʼ, JBplus 2016/4 en A.J.C. de Moor-van Vugt, ʻRechtseenheid in het bestuursrecht: een gestrande missie?ʼ, O&A 2017/4.
De beschreven ontwikkelingen in de rechtspraak om gezamenlijk de rechtsontwikkeling op terreinen van algemeen bestuursrecht in eenheid verder te helpen zijn positief. De wetgever heeft daaraan zeker mee geholpen, vooral door de hoogste bestuursrechters met ingang van 1 januari 2013 van nieuwe instrumenten te voorzien: de mogelijkheid van het vragen van een conclusie en de instelling van een grote kamer. Zoals bekend heeft dezelfde wetgever het wetsvoorstel, waardoor we van vier naar twee hoogste bestuursrechters zouden gaan, afgeblazen. Daaraan ben ik in deze bijdrage bewust voorbij gegaan, alleen al omdat daaraan al veel nutteloze energie is besteed.1 Op andere mogelijke institutionele veranderingen ben ik eveneens niet ingegaan.2 Ook zonder institutionele veranderingen door wetswijziging kunnen rechters heel goed aan rechtseenheid werken, zo is in de afgelopen periode gebleken. Sterker nog: ik ben er in de afgelopen periode van doordrongen geraakt dat het werken aan inhoudelijke rechtseenheid door samenwerking vruchtbaarder is dan energie te steken in institutionele veranderingen, die reorganisaties en dus een hoop ellende met zich brengen.3
Waar de hoogste rechters de rechtsontwikkeling samen vorm geven en de stand van de rechtsontwikkeling op een aantal belangrijke onderdelen waarvan voorbeelden werden gegeven, niet meer in de Awb is te vinden, komt de vraag op of de Awb-wetgever in de komende periode aan het werk moet om de ambitie waar te maken dat wie de Awb leest, de stand van ons algemeen bestuursrecht kent. Wat mij betreft zou hij de rechtsontwikkeling in ieder geval een dienst bewijzen door, na alles wat daarover gezegd en geschreven is, ons systeem van bestuursrechtelijke rechtsbescherming aan te passen en uit te bouwen.