Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.4.1
14.4.4.1 Volle rechterlijke toetsing: alle relevante omstandigheden
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940216:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 februari 1993, BNB 1993/138, r.o. 4.13.
In dezelfde zin: Feteris 2007, p. 340 en de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2016, V-N 2016/31.8.
HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4, BNB 2016/238, r.o. 2.5, HR 10 juni 2005, V-N 2005/30.6, BNB 2005/293, HR 26 september 2003, BNB 2004/63, met name r.o. 3.7. Zie voorts de voorbeelden uit de jurisprudentie genoemd in Haas 2009, hoofdstuk 30, in Feteris 2002, p. 20 (noot 59), en in Feteris 2007, p. 340 (noot 103). Zie verder de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Hof Arnhem-Leeuwarden 8 maart 2016, V-N 2016/31.8, alsmede Hof Arnhem 22 december 2009, V-N 2010/15.1.2, r.o. 4.4.4 (ook kenbaar uit HR 25 november 2011, V-N 2011/66.7). Vgl. voorts Kamerstukken II 2011/12, 33 207, nr. 3, p. 33, waarin de sociale-zekerheidswetgever aangeeft dat het bij de verwijtbaarheidsafstemming gaat om alle omstandigheden van het individuele geval. Vgl. ook de uitspraken die de CRvB na de invoering van de betreffende Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving heeft gedaan (CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6 en CRvB 11 december 2014, V-N 2015/2.6), welke jurisprudentie weer heeft geleid tot geheel nieuwe wet- en regelgeving op dit punt (zie Stb. 2016, 318 en Stb. 2016, 342).
HR 23 november 1988, BNB 1989/29 (r.o. 4.2 van de Hofuitspraak), HR 28 mei 2004, BNB 2004/249 (r.o. 4.13.2 van de Hofuitspraak), Hof Amsterdam 14 februari 2013, V-N 2013/25.24. Onder omstandigheden kunnen dergelijke ingewikkeldheden of onduidelijkheden zelfs leiden tot het geheel ontbreken van enig verwijt. Zie daaromtrent nader de in paragraaf 9.4.2.1 aangehaalde feitenrechtspraak.
HR 29 mei 2020, V-N 2020/26.24, BNB 2020/123, r.o. 2.4.2. Deze omstandigheid is vanwege de Unierechtelijke dimensie (zie paragraaf 14.4.1) vooral in omzetbelastingzaken van belang (zie HvJ EU 26 april 2017 (Farkas), nr. C-564/15, V-N 2017/37.23, HvJ EU 15 april 2021 (Grupa Warzywna), nr. C-935/19, V-N 2021/25.5, HvJ EU 17 mei 2023 (CEZAM), nr. C-418/22, V-N 2023/25.15, r.o. 39-41).
Zie r.o. 4.8 en 4.11 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 3 februari 2023, V-N 2023/9.18.
Rb Gelderland 6 maart 2019, V-N 2019/36.22, r.o. 14 (verhuurderheffing).
HR 11 juli 2023 (strafkamer), V-N 2023/34.24, HR 7 februari 2023 (strafkamer), V-N 2023/9.24, HR 20 december 2022 (strafkamer), V-N 2023/4.24, HR 2 maart 2021 (strafkamer), V-N 2021/13.16, HR 19 mei 2020 (strafkamer), V-N 2020/27.27, HR 26 oktober 2010 (strafkamer), NJ 2010/586. Het kan gaan om zogeheten ‘ad informandum’ gevoegde (en door de verdachte erkende) feiten, maar ook om (niet erkende) feiten die worden beschouwd als ‘omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan’. De verdachte – en in fiscale bestuurlijke boetezaken de boeteling – moet zich wel behoorlijk kunnen verweren tegen die feiten en het moet duidelijk zijn dat die feiten niet (alsnog) afzonderlijk zullen worden beboet.
Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 28 maart 2014, V-N 2014/16.7 en Krukkert, die – vanuit het perspectief van de initiële straftoemeting door de inspecteur – 19 omstandigheden heeft gerubriceerd (onder meer naar de persoon van de boeteling), zie Krukkert 2018, par. 6.4.
Zie Rb Noord-Nederland 7 november 2013, V-N 2014/6.18.6.
Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 30 mei 2018, V-N 2019/9.26.20, r.o. 2.9 en Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2016, V-N 2016/46.7.
Zie bijvoorbeeld r.o. 4.14 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 12 oktober 2018, V-N 2018/55.19, BNB 2018/194 (de Hoge Raad heeft dit geaccordeerd, zie r.o. 2.3.2 van het arrest).
Zie bijvoorbeeld Rb Gelderland 16 januari 2019, V-N 2019/24.11, r.o. 11. Zie voorts paragraaf 6.4.4.2.
Zie voor een voorbeeld waarin deze omstandigheid (overigens vruchteloos) werd aangevoerd Rb Den Haag 19 september 2022, V-N 2023/16.2.8.
Hof Arnhem-Leeuwarden 10 augustus 2021, V-N 2021/44.18.11, r.o. 2.7.
Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West Brabant 26 maart 2014, V-N 2014/28.4, Hof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2014, V-N 2014/50.9 (r.o. 4.12), Hof ’s-Hertogenbosch 16 juni 2016, V-N 2016/67.5 en Hof Den Haag 16 november 2016, V-N 2017/11.5. In het strafrecht plegen deze aspecten te worden aangeduid met de term ‘persoonlijke omstandigheden van de verdachte’ of de ‘persoon van de verdachte’. Zie in dit verband ook de hartenkreet van Van Walderveen, die de aanwezigheid van de boeteling op de zitting in dit verband van groot belang acht, B. van Walderveen, ‘Wie het weet mag het zeggen’, V-N 2017/17.0.
Rb Gelderland 16 januari 2019, V-N 2019/24.11, r.o. 11.
De Nederlandse belastingrechter toetst de hoogte van de boete ‘vol’. De rechter beoordeelt geheel zelfstandig of hij de opgelegde boete ‘passend en geboden’ acht.1 De rechtsgrondslag voor deze aanpak, waarbij de rechter een eigen afweging maakt van de relevante omstandigheden, wordt wel gevonden in de beginselen van een behoorlijke straftoemeting. Dit beginsel is strafrechtelijk van aard.2
Tot de relevante omstandigheden die de rechter bij zijn oordeel betrekt, behoren niet alleen ‘bijzondere’ omstandigheden: alle omstandigheden van het geval komen in aanmerking (en kunnen dus uiteindelijk ook meewegen bij dat oordeel).3 Daartoe behoren dus ook strafverminderende omstandigheden als de complexiteit van de feitelijke situatie of van de geldende wetgeving,4 de omstandigheid dat de schatkist onder aan de streep niets tekort is gekomen5 of dat de inspecteur niet (adequaat) heeft gereageerd op brieven van de boeteling,6 of het gegeven dat het om een nieuwe belastingsoort gaat.7 Verder is het denkbaar dat beboetbare feiten ter zake waarvan geen boete wordt opgelegd, in strafverzwarende zin meewegen bij de bepaling van de strafmaat ten aanzien van andere (soortgelijke) feiten die wél worden beboet. In dit verband kan naar mijn mening een parallel worden getrokken met het strafrecht, waarin niet tenlastegelegde feiten onder omstandigheden mogen worden betrokken bij de strafmaat.8
Het gaat bovendien niet alleen om de omstandigheden waaronder het feit is begaan, maar ook om de persoonlijke omstandigheden van de boeteling.9 Die persoonlijke omstandigheden kunnen er bijvoorbeeld in bestaan dat de boeteling onder bewind is gesteld10 of privéproblemen heeft ervaren.11 Ook omstandigheden die bij de straftoemeting in het commune strafrecht plegen te worden meegewogen, zoals de voorbeeldfunctie van de boeteling,12 de (fiscale) deskundigheid van de boeteling,13 de hoge leeftijd van de boeteling,14 de psychische toestand van de boeteling15 of de mate waarin hij medewerking heeft verleend aan het onderzoek, komen in fiscalibus in aanmerking.16 Ook varianten daarop, zoals de omstandigheid dat de boeteling bepaalde posten in alle openheid in zijn aangiften heeft verantwoord (in plaats van deze te verhullen), komen voor.17