Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.6.1
2.6.1 Omzettingsvrijheid
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS494035:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet tot vaststelling van de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 van de Invoeringswet Boek 2 Nieuw BW, Stb. 1976, 229, die in werking is getreden op 26 juli 1976.
Zie Kamerstukken II 1983/84, 17 725, nr. 4, zoals opgenomen in: Cj. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijke wetboek, Deventer: Kluwer 1991, p. 180. Zie voor een andere opvatting J.M.M. Maeijer, ‘Omzetting van rechtspersonen’, WPNR 1983/5649, p. 246 en Tj. van der Ploeg, ‘Welke feiten geven aanleiding tot omzetting van een rechtspersoon?’, TVVS 1981, 9, p. 213. Zie voor een casus onder het oude recht: Rb. Breda 28 maart 1980, NJ 1980, 569 (m.nt. J.M.M. Maeijer).
Zie Cj. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek, Deventer: Kluwer 1977, p. 185.
Hoewel de tot 1 januari 1992 geldende gang van zaken op het eerste gezicht een bruikbare oplossing leek te geven, werd deze bij nader inzien als onpraktisch en onwenselijk van de hand gewezen. Zo was een voor de hand liggend bezwaar dat men wel de statuten en/of de feitelijke organisatie kan veranderen maar dat geenszins zeker was dat de omzetting ook tot stand zou komen. Zie over de bezwaren o.a. P. van Schilfgaarde, Rechtspersonen (losbladig), Deventer: Kluwer, supplement 78, juli 1988, aantekening 4 op art. 2:20 (oud) BW en J. Netten, ‘Is spontane omzetting van rechtspersonen krachtens art. 20 Boek 2 BW mogelijk?’, NJB 1981, 32, p. 864.
Ik doel op onder andere de formele vereisten van art. 2:18 lid 2 en 4 BW. Zie over de omzettingsprocedure par. 2.7.
In dezelfde zin J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, p. 166. Zie ook L.C.A Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel (diss.), Deventer: Kluwer 1996, p. 152.
Kamerstukken II 1982/83, 17 725, nr. 4, zoals opgenomen in: Cj. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuw burgerlijk wetboek (Invoering boeken 3, 5 en 6), Deventer: Kluwer 1991, p. 180.
Zie ook L. Timmerman, ‘Zijn de materiële kenmerken van de rechtspersoonsvormen verdwenen?’, WPNR 1991/6030, p. 879, die opmerkt dat de nieuwe omzettingsregeling de vrijheid van keuze van rechtsvorm verder uitbouwt.
Zie M.J.G.C. Raaijmakers, Vennootschaps- en rechtspersonenrecht (Pitlo-serie deel 2), Deventer: Gouda Quint 2000, p. 397.
De omzettingsvrijheid ligt besloten in art. 2:18 lid 1 BW. In deze bepaling is namelijk vastgelegd dat een rechtspersoon zich kan omzetten in een andere rechtspersoon. De omzettingsregeling maakt elke omzetting mogelijk, dat wil zeggen onverschillig uit welk motief de omzetting voortvloeit. Daarmee heeft de omzettingsfiguur zich losgemaakt van haar voorloper, die van 26 juli 1976 tot 1 januari 1992 was opgenomen in art. 2:19 en art. 2:20 BW (oud).1 Oorspronkelijk was de omzettingsregeling een direct uitvloeisel van het in paragraaf 2.4 hiervóór besproken stelsel van materiele kenmerken. De functie van de omzettingsregeling was tot 1 januari 1992 slechts om ontbinding van de rechtspersoon met vereffening te voorkomen ingeval de rechtspersoon niet meer voldeed aan de materiële kenmerken van zijn soort, maar wel onder die van een andere. Alvorens tot ontbinding over te gaan, diende de rechter op grond van art. 2:19 lid 2 BW (oud) de rechtspersoon de mogelijkheid te bieden zich om te zetten in een rechtspersoon van de andere soort. Art. 2:19 lid 2 BW (oud) luidde:
‘De rechtbank spreekt de ontbinding niet uit dan na de rechtspersoon in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een door de rechtbank te bepalen termijn hetzij haar statuten in overeenstemming te brengen met de voor haar in de wet gegeven omschrijving, hetzij te worden omgezet in een rechtspersoon van een andere soort, indien zij onder de omschrijving valt van die soort.’
Via een geforceerde omweg kon echter ook een eigenmachtige omzetting worden bewerkstelligd. Het bestuur kon namelijk óók zelf de rechter verzoeken om een machtiging tot omzetting binnen een door de rechtbank te bepalen termijn. De bevoegdheid daartoe was opgenomen in art. 2:20 lid 1 BW (oud), dat als volgt luidde:
‘Indien het bestuur van een rechtspersoon de mogelijkheid aanwezig acht dat de rechtspersoon kan worden ontbonden op de grond vermeld in lid 1 van het voorgaande artikel, kan het aan de rechtbank machtiging verzoeken om de rechtspersoon binnen een door de rechtbank te bepalen termijn om te zetten in die rechtspersoon, aan wier wettelijke omschrijving zij wel voldoet. Bij toewijzing van het verzoek is binnen de door de rechtbank bepaalde termijn, en in geval van omzetting ook daarna, op de aangevoerde grond ontbinding van de rechtspersoon niet mogelijk.’
Volgens de uitleg die algemeen aan art. 2:19 en 2:20 BW (oud) werd gegeven, kon een rechtspersoon die een andere rechtsvorm wenste, eerst de statuten zo wijzigen dat deze niet meer pasten bij de eigen rechtsvorm, en vervolgens wegens het daardoor ontstane gevaar van ontbinding aan de rechtbank een machtiging tot omzetting verzoeken.2 Dat een dergelijke gang van zaken kennelijk was geoorloofd, blijkt uit de volgende passage uit een betoog van regeringscommissaris J. Drion:3
‘Intussen blijkt (...) dat het inderdaad de bedoeling is, dat wanneer een vereniging of een andere rechtspersoon zich ervan bewust is dat zij haar activiteiten zodanig wil wijzigen, dat zij in een ander hokje terecht komt, de mogelijkheid bestaat om dit te doen, door in een ander hokje te gaan zitten en dan de rechter machtiging vragen om in dat andere hokje te mogen gaan zitten. Zodra die machtiging is afgekomen en op grond daarvan de omzetting plaatsvindt, is de oorspronkelijke rechtspersoon verdwenen en overgegaan in een nieuwe rechtspersoon.’
Deze regeling maakte nogal een gewrongen indruk vanwege het merkwaardige gegeven dat eerst een statutenwijziging in strijd met de wet is vereist. Het is déze onwenselijke gang van zaken waarmee art. 2:18 BW heeft gebroken.4 Het vereiste dat de rechtspersoon niet (meer) voldoet aan de wettelijke omschrijving van zijn soort is namelijk per 1 januari 1992 vervallen. Thans gelden louter nog procedurele eisen.5
De wetgever heeft met de nieuwe omzettingsregeling de mogelijkheid voor een spontane omzetting bewust willen verruimen.6 De wetgever motiveert deze verruiming van de omzettingsmogelijkheden door aan te geven dat er geen reden is om rechtspersonen die hun organisatie op een nieuwe leest willen schoeien, de mogelijkheid te onthouden meteen een ander rechtsvorm te kiezen.7 Uit deze motivering van de wetgever kan worden opgemaakt dat de omzettingsvrijheid in het verlengde ligt van de vrijheid van rechtsvormkeuze.8 De Minister van Justitie merkte daarover het volgende op in het kader van de totstandkoming van de ‘Wet van 9 juli 2004 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van de structuurregeling’, Stb. 2004, 370:9
‘Tot de juridische infrastructuur waarvan een ondernemer gebruikmaakt, behoren ook de regels die verband houden met de rechtsvorm waarin de onderneming wordt gedreven. Kenmerkend daarbij is dat de wetgever in beginsel de vrijheid laat aan de ondernemer om voor zijn onderneming die rechtsfiguur te kiezen die hem het meest geschikt lijkt. De regelingen over de herschikking van de rechtsvorm, zoals omzetting (art. 2:18 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW), juridische fusie (artikel 2:310 e.v. BW), en juridische splitsing (artikel 2:334 e.v. BW), zijn een uitwerking van deze keuzevrijheid.’
Kort gezegd maakt de omzettingsvrijheid derhalve deel uit van de vrijheid van (re)organisatie.10