Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.10.4:5.8.10.4 Conclusie: vordering dient niet onmiskenbaar ongegrond te zijn
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.10.4
5.8.10.4 Conclusie: vordering dient niet onmiskenbaar ongegrond te zijn
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648830:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 31 maart 2017, JOR 2017/221, NJ 2018/26, r.o. 5.1.6. Zie tevens de conclusie van A-G Timmerman, PHR 16 december 2016, JOR 2017/221 en Bartman & Van der Kraan 2017, p. 921-927.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in een geval waarin het bestaan en de omvang van de vordering zijn betwist, het verzet gegrond dient te worden verklaard, tenzij en voor zover de vordering onmiskenbaar ongegrond kan worden acht. Aan het oordeel zijn slechts beperkte motiveringseisen te stellen. De Hoge Raad heeft in dit kader overwogen:1
“Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat in de verzetprocedure niet over de toewijsbaarheid van de vordering van de schuldeiser wordt beslist, dient de rechter, in een geval waarin het bestaan en de omvang van de vordering zijn betwist, het verzet gegrond te verklaren, tenzij en voor zover hij de vordering onmiskenbaar ongegrond acht. Aan zijn daarop betrekking hebbende oordeel zijn slechts beperkte motiveringseisen te stellen.”