Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.5.1:8.5.1 Oogstverband: zekerheid op de te velde staande oogst
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.5.1
8.5.1 Oogstverband: zekerheid op de te velde staande oogst
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264575:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Moltzer 1886, p. 18-20; Land 1902, p. 348-349; Schuijling 2016, p. 161 en 278.
Moltzer 1886, p. 9, 45-49 en 70-77; Land 1902, p. 348-349.
Kennelijk was de wetgever vergeten dat hij het (goederenrechtelijke) recht van pandgebruik in 1838 had afgeschaft. Vgl. Bobbink 2016, p. 108-117.
Moltzer 1886, p. 55-58; Land 1902, p. 350.
Moltzer 1886, p. 19-20.
Rombach 1887, p. 72 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Nederlands-Indië waren problemen ontstaan met de financiering van suikerplantages. Suikerboeren leenden geld bij financiers om het verbouwen van suiker te financieren. De financiers wensten zekerheid in de vorm van een zekerheidsrecht op de toekomstige oogst. De te velde staande suiker was als zodanig niet vatbaar voor verpanding. Hij werd immers nagetrokken door de grond. Pas als de suikerboer de suiker van het land oogstte, werd de suiker een zelfstandige zaak waarop een pandrecht kon komen te rusten. Als de suikerboer failleerde voor hij de oogst had binnengehaald, stond de financier dus met lege handen. Een faillissement doorkruiste immers de vestiging van een pandrecht op de oogst.1
Om toch zekerheid te kunnen krijgen voor de financiering, ontwierp de wetgever een bijzondere regeling: het Nederlands-Indisch oogstverband. Dit oogstverband moest financiers zakelijke zekerheid geven op nog te velde staande vruchten. Daarnaast moest de zekerheidsgerechtigde de bevoegdheid krijgen om, indien nodig, zelf de verbouwing van de gewassen ter hand te nemen en de gewassen van het land te oogsten, te verwerken en gereed te maken voor verkoop. Hiertoe kreeg de financier de bevoegdheid om gebruik te maken van de onderneming en inrichtingen van de schuldenaar.2 Het oogstverband voorzag dus in de behoefte om zekerheid te krijgen op (toekomstige) vruchten van een zaak, en indien nodig de exploitatie van die zaak ter hand te nemen om de vruchten te trekken.
Een goederenrechtelijk recht van pandgebruik had (gedeeltelijk) ook in deze behoeften kunnen voorzien. Het gaf de zekerheidsgerechtigde immers de mogelijkheid om de vruchten van het onderpand te trekken, door het onderpand te exploiteren.3 Een belangrijk verschil tussen het oogstverband en het recht van pandgebruik was evenwel dat voor de vestiging van een recht van pandgebruik op een onroerende zaak vereist was dat de schuldenaar beschikkingsbevoegd was. De vestiging van een recht van pandgebruik op een suikerakker was dus voorbehouden aan de eigenaar van die akker. Het oogstverband kon evenwel ook worden gevestigd door personen met een persoonlijk gebruiksrecht op een stuk grond, zoals pachters of huurders.4 De wetgever voorzag in deze laatste mogelijkheid, omdat de meerderheid van de Nederlands-Indische suikertelers de grond waarop zij hun gewassen verbouwden niet in eigendom had.5 De reikwijdte van het oogstverband was dus noodzakelijkerwijs ruimer dan de reikwijdte van het recht van pandgebruik. Beide rechtsfiguren kenden aan de zekerheidsgerechtigde evenwel vergelijkbare bevoegdheden toe.
In de Nederlandse rechtspraktijk bestond de vraag naar een vergelijkbare rechtsfiguur. Rombach schreef voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging een preadvies waarin hij de vraag beantwoordde hoe een bijzonder zakelijk zekerheidsrecht op te velde staande vruchten moest worden geregeld in het Nederlandse burgerlijke recht. Hij stond een speciale regeling voor die een financier zekerheid gaf op de te velde staande oogst. Hij ging niet in op de mogelijkheid om zekerheid op de te velde staande oogst te creëren door een goederenrechtelijk recht van pandgebruik te (her)introduceren.6