Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.2.1
2.2.1 Rechtspersonen van Boek 2 BW
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS494025:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, punt 151, p. 162, J.H. Nieuwenhuis e.a., Tekst & Commentaar Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 27, P. van Schilfgaarde, Van de NV en de BV, Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 324, C.W. Monchy, De nieuwe algemene bepalingen van Boek 2 BW (Preadvies Vereeniging Handelsrecht), Zwolle: Tjeenk Willink 1991, p. 107 e.v., Tj. van der Ploeg, ‘Moet de metamorfose van de rechtspersoon worden ‘erkend’?’, TVVS 1984, 5, p. 109-115, C.H.C. Overes, ‘Omzetting van verenigingen en stichtingen’, S&V 1988, p. 63-67 en Wj. Slagter, Compendium van het ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 1996, p. 105.
Kamerstukken II 1987/88, 17 725, nr. 14, zoals opgenomen in: Cj. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuw burgerlijk wetboek (Invoering boeken 3, 5 en 6), Deventer: Kluwer 1991, p. 186.
Kamerstukken II 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 61.
Zie G.J.C. Rensen, Extra-verplichtingen van leden en aandeelhouders, Deventer: Kluwer 2005, p. 330. P.L. Dijk & T.J. Van der Ploeg, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Kluwer 2007, p. 327-328 uiten overigens hun bedenkingen tegen de omzetting van een informele vereniging omdat zo formele oprichtingseisen kunnen worden omzeild. Zie ook J.M.M. Maeijer, ‘Omzetting van rechtspersonen’, WPNR 1983/5649, p. 245-250 en P. van Schilfgaarde, ‘Wijziging van Boek 2 door de Invoeringswet Boeken 3-6 NBW’, WPNR 1983/5639, p. 69-74.
Zie G.J.C. Rensen, Extra-verplichtingen van leden en aandeelhouders, Deventer: Kluwer 2005, p. 330.
J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, p. 162 en P.J. Dortmond, Omzetting van rechtspersonen (Onderneming en nieuw burgerlijk recht), onder redactie van W.C.L. van der Grinten e.a., Zwolle: Tjeenk Willink 1991, p. 28 beantwoorden deze vraag bevestigend en C.W. de Monchy, De nieuwe algemene bepalingen van boek 2 BW (Preadvies van de vereeniging ‘Handelsrecht’), Zwolle: Tjeenk Wil-link 1991, p. 109 beantwoordt deze vraag ontkennend. Zie ook B.H.A. van Leeuwen, ‘De jaarvergadering van de ‘Vereeniging Handelsrecht op 26 april 1991”, De NV 1992, 70, p. 35-37.
Met dien verstande dat ook de werkzaamheden in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen die voor de gekozen rechtsvorm gelden.
De heersende opvatting in de civielrechtelijke literatuur is dat alléén de in Boek 2
BW geregelde rechtsvormen gebruik kunnen maken van de omzettingsregeling ex art. 2:18 BW, te weten de:
vereniging ex art. 2:26 BW;
coöperatie ex art. 2:53 lid 1 BW;
onderlinge waarborgmaatschappij ex art. 2:53 lid 2 BW;
naamloze vennootschap ex art. 2:64 BW;
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ex art. 2:175 BW;
stichting ex art. 2:285 BW.1
Hoewel de tekst van art. 2:18 lid 1 BW niet tot deze beperking noopt, lijkt het erop dat bij de invoering van de omzettingsregeling inderdaad louter op deze in art. 2:3 BW opgesomde rechtspersoonsvormen is gedoeld, zij het dat daarmee niet bedoeld is een kerkgenootschap van de omzetting uit te sluiten (zie over de kerkgenootschappen par. 2.2.4). Tijdens de parlementaire behandeling is immers bij de bespreking van ‘al deze mogelijkheden tot omzetting’ slechts gerefereerd aan de in Boek 2 BW geregelde rechtspersonen.2 Recent heeft de wetgever in het kader van het wetsvoorstel tot ‘Vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek’ uitdrukkelijk aangegeven dat met de omzetting in een andere rechtsvorm in art. 2:18 BW is bedoeld ‘één van de andere rechtspersoonsvormen zoals die zijn aangeduid in artikel 3 van Boek 2 BW en nader in dit boek worden geregeld’ (zie over dit wetsvoorstel paragraaf 2.3 hierna).3 De conclusie kan niet anders zijn dan dat het toepassingsbereik van de omzettingsregeling (nagenoeg) overeenkomt met dat van de juridische fusie ex art. 2:309 BW en de juridische splitsing ex art. 2:334a BW. Van deze twee rechtsfiguren is dit evenwel expliciet in art. 2:308 BW bepaald. Het toepassingsbereik van de omzettingsregeling is overigens mogelijk op één punt ruimer dan die van de juridische fusie en splitsing. Hoewel de vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid ex art. 2:30 BW op grond van art. 2:308 lid 2 BW uitdrukkelijk van fusie en splitsing is uitgesloten, lijkt een dergelijke vereniging zich wel te kunnen omzetten op de voet van art. 2:18 BW.4 De wettekst legt hieraan geen strobreed in de weg, zodat de omzettingsmogelijkheid van een informele vereniging in de praktijk waarschijnlijk valt of staat met het zicht dat de notaris heeft op de besluitvorming rondom de omzetting binnen de informele vereniging.5
Onduidelijk is of ook de omzetting van een coöperatie in een onderlinge waarborgmaatschappij en omgekeerd onder de reikwijdte van art. 2:18 BW valt. In de literatuur bestaat geen eenstemmigheid over de vraag of de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij ten opzichte van elkaar wel als verschillende rechtspersonen kunnen worden beschouwd.6 Deze kwestie is voor toepassing van de omzettingsregeling van belang. Bij een bevestigende beantwoording dient namelijk aan alle formaliteiten van art. 2:18 BW te worden voldaan. Bij een ontkennende beantwoording kan voor een ‘omzetting’ worden volstaan met een statutenwijziging.7