Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.4
5.4 Robbery
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
S. 23 van de Larceny Act 1916 luidde als volgt:
- “(1)
Every person who
- (a)
being armed with any offensive weapon or instrument, or being together with one other person or more, robs, or assaults with intent to rob, any person;
- (b)
robs any person and, at the time of or immediately before or immediately after such robbery, uses any personal violence to any person; shall be guilty of felony and on conviction thereof liable to penal servitude for life, and, in addition, if a male, to be once privately whipped.
- (2)
Every person who robs any person shall be guilty of felony and on conviction thereof liable to penal servitude for any term not exceeding fourteen years.
- (3)
Every person who assaults any person with intent to rob shall be guilty of felony and on conviction thereof liable to penal servitude for any term not exceeding five years.”
[1965] AC 960.
CLRC 1966, par. 64.
CLRC 1966, par. 65-67.
Ormerod & Williams 2007, par. 7.03-7.04, Horder 2016, p. 407 en Blackstone 2013, par. B4.71.
Ormerod & Williams 2007, par. 7.05. Zie ook Blackstone 2013, par. B4.72.
Horder 2016, p. 408-409 en Blackstone 2013, par. B4.72.
Horder 2016, p. 408. Zie ook Ormerod & Williams 2007, par. 7.17.
Ormerod & Williams 2007, par. 7.11 en Horder 2016, p. 408.
Ormerod & Williams 2007, par. 7.14 en 7.16 en Horder 2016, p. 408.
Robbery werd in s. 23 van de Larceny Act 1916 bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal veertien jaren. Onder bepaalde strafverzwarende omstandigheden kon dat oplopen tot levenslang.1 Een definitie van robbery gaf de Larceny Act 1916 niet. Volgens het rapport van de CLRC werd het tot in de jaren zestig over het algemeen beschouwd als ‘stealing someone’s property either from his person or in his presence by force or by putting him in fear’. Het House of Lords oordeelde in de zaak Smith vDesmond2 echter dat die definitie te beperkt was. De zaak handelde over een nachtwaker en een onderhoudsmonteur in een bakkerij die door de verdachten werden aangevallen en vastgebonden. De verdachten stalen vervolgens geld uit een kluis in een kantoortje dat zich zo’n 30 meter verderop bevond. Het Court of Appeal had de veroordeling in eerste aanleg vernietigd omdat geen sprake was van stelen van de persoon zelf of in zijn aanwezigheid. Het House of Lords herstelde de veroordeling en besliste dat voldoende was dat het goed zich bevond in de onmiddellijke en persoonlijke zorg en bescherming van de persoon tegen wie (de bedreiging met) het geweld was gericht. Wat betreft de vraag welke mate van geweld stealing doet overgaan in robbery stelde de CLRC vast dat uit de jurisprudentie voortvloeide dat het geweld moest zijn gebruikt om weerstand te voorkomen of te overwinnen en dat het niet voldoende was als het geweld slechts gebruikt werd om het goed te verkrijgen. Wel was ieder geweld dat lichamelijk letsel veroorzaakte genoeg.3
Het leek de CLRC overduidelijk dat er een definitie van robbery moest komen. In s. 7 van de Draft Bill stelde ze voor dat iemand schuldig zou zijn aan robbery ‘if he steals and in order to do so he, immediately before or at the time of doing so, wilfully uses force on any person or wilfully puts or seeks to put any person in fear of being then and there subjected to force’. In de ogen van de CLRC was het niet noodzakelijk dat de persoon ten aanzien van wie het geweld werd gebruikt of de persoon die werd bedreigd dezelfde was als degene van wie werd gestolen. Maar het geweld moest wel worden gebruikt met het doel om te stelen. Geweld dat alleen maar werd gebruikt om na de theft weg te komen vond de commissie van nature geen robbery (maar het kon volgens de commissie uiteraard wel afzonderlijk worden vervolgd). De CLRC vond dat het enkele wegrukken van een goed, zoals een handtas, van iemand die geen weerstand biedt, niet zou moeten worden beschouwd als geweld in de zin van deze bepaling. In het geval van ‘robbery by putting in fear’ stelde de commissie zich op het standpunt dat de fear moet zien om op dat moment en op die plaats te worden onderworpen aan geweld. Dat leek de commissie in overeenstemming met de essentie van het misdrijf. Een bedreiging bestaande uit het beschuldigen van iemand van het plegen van een misdrijf vond de commissie meer lijken op blackmail dan op robbery. De commissie stelde voor robbery een strafmaximum van levenslang voor.4
Het voorstel van de CLRC is bijna letterlijk in de Theft Act overgenomen. S. 8 Theft Act 1968 luidt als volgt:
A person is guilty of robbery if he steals, and immediately before or at the time of doing so, and in order to do so, he uses force on any person or puts or seeks to put any person in fear of being then and there subjected to force.
A person guilty of robbery, or of an assault with intent to rob, shall on conviction on indictment be liable to imprisonment for life.”
Robbery is een gekwalificeerde vorm van theft, dat wil zeggen dat voor een veroordeling wegens robbery noodzakelijk is dat bewezen wordt dat ook sprake was van theft. Dus als een verdachte iemand bedreigt teneinde te bewerkstelligen dat de ander hem geld overhandigt waarop hij, voor zover hij weet, recht heeft, is er geen sprake van dishonesty (vgl. s. 2(1)(a) van de Theft Act 1968), niet van theft en dus niet van robbery (wat uiteraard niet wil zeggen dat de verdachte geen ander strafbaar feit, bijvoorbeeld het hierna te bespreken blackmail, pleegt).5 Net als bij theft is ook hier het ruime begrip appropriation van toepassing. Het vastpakken van een goed kan dus al voldoende zijn. Als de verdachte aan de oorbel van een vrouw rukt, maar het niet lukt om deze uit haar oor te krijgen, is dus toch sprake van een voltooide robbery. Als een handtas uit de hand van een vrouw wordt gerukt en deze valt op de grond, ook.6 Daarbij moet worden opgemerkt dat – anders dan de CLRC voor ogen stond – in de jurisprudentie inmiddels is aangenomen dat het tegen iemand aan botsen en hem zo uit evenwicht brengen voldoende geweld oplevert om een theft tot robbery te promoveren, net als het uit de hand trekken van een tas waardoor iemands hand naar beneden wordt getrokken.7
Het voor robbery vereiste geweld of (poging tot) bedreiging met geweld moet onmiddellijk vóór of tijdens de theft plaatsvinden. Dit lijkt het gebruik van geweld direct na de theft uit te sluiten, maar het Court of Appeal heeft dit probleem al eens omzeild door te overwegen dat een appropriation voortduurt als verdachten hun slachtoffers vastbinden zodat de verdachten kunnen ontsnappen.8 Het geweld moet wel worden gebruikt om het stelen mogelijk te maken. Geweld dat toevallig gelijktijdig met de stealing plaatsvindt is niet voldoende.9 Wat betreft de bedreiging met geweld is voorts noodzakelijk dat de bedreiging ziet op onmiddellijk toe te passen geweld tegen een persoon (niet per se het slachtoffer van de theft). De dreiging om ergens in de toekomst geweld toe te passen lijkt niet voldoende. Ook in een dergelijk geval kan wellicht wel wegens (het hierna te bespreken) blackmail worden vervolgd.10