Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/335
335 Factor 3: de aard en de omvang van de bekendmaking
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458304:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
PG Herziening Rv 2002, p. 163-164.
Rb. Amsterdam 11 september 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0539. Ook in de zaak SOBI/Hollandia- Kloos achtte het hof aannemelijk dat een groot deel van het bedrijfsgebeuren van Hollandia in het voorlopig getuigenverhoor aan de orde zou komen en dat de publiciteit die daarvan het gevolg zou zijn grote bedrijfsschade zou meebrengen voor Hollandia. Het belang van verzoeker SOBI was te gering om een voorlopig getuigenverhoor te rechtvaardigen. Aan praktische maatregelen ter bescherming van de vertrouwelijkheid wordt dan niet toegekomen. HR 11 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1916, NJ 1988, 747, m.nt.W.H. Heemskerk (SOBI/Hollandia- Kloos), waarover Gielen 1999, p. 62.
Ook in Hof Amsterdam 8 januari 1998, ECLI:NL:GHAMS:1998:AC0175, NJ 1998, 750 konden de belangen van de verweerder (het niet openbaar worden van informatie over beveiligingsmaatregelen) worden veiliggesteld door daarmee rekening te houden bij de feitelijke gang van zaken bij het getuigenverhoor.
Van Mierlo 2014 (T&C Rv), art. 29, aant. 4.
Het overtreden van het mededelingverbod is ook strafbaar op grond van art. 272 Sr, maar de vraag is of de sanctie (een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en een geldboete van de vierde categorie (zo’n € 20.000)) erg afschrikt, waarbij ook moet worden bedacht dat slechts wordt vervolgd na een klacht en dat opzet moet worden bewezen.
Vgl. het zwart maken van beslagen (soms kreeg alleen de procureur van de potentiële beslagene de mogelijkheid om – zonder zijn cliënt te informeren – verweer te voeren tegen het beslagverzoek) en het in familiezaken laten inzien van vertrouwelijke documenten door een gemachtigde die gebonden is aan een wettelijke geheimhoudingsplicht. Van der Korst 2007, p. 138 en de daar genoemde vindplaatsen.
Rekening houden met de bescherming van bedrijfsgeheimen door het zo nauwkeurig mogelijk stellen van vragen, is voor het voorlopig getuigenverhoor geen afdoende remedie. Het prijsgeven van bedrijfsgeheimen in een voorlopig getuigenverhoor moet in beginsel worden voorkomen en bovendien zal het stellen van meer specifieke vragen terwijl het feitencomplex waarover de getuigen moeten worden gehoord juist minder is afgebakend dan in de hoofdzaak, moeilijk uit te voeren zijn. Voor het gewone getuigenverhoor kan de aanpassing van de vraagstelling wel een oplossing zijn. Gielen 1999, p. 72-73.
Als de verzoeker bedrijfsgeheimen wenst te onderzoeken, is voorstelbaar dat bekendmaking aan derden kan worden voorkomen door het treffen van praktische maatregelen, zoals het horen van de getuigen met gesloten deuren of op een terechtzitting waarbij slechts bepaalde personen zijn toegelaten (art. 27 lid 1 onder c Rv). De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer rechtvaardigt het sluiten van de deuren. Volgens de parlementaire geschiedenis moet in geval van een rechtspersoon gedacht worden aan het ter sprake komen van financiële gegevens en vertrouwelijke bedrijfsgegevens, waardoor een bedrijf schade kan lijden door bijvoorbeeld een verslechtering van de concurrentiepositie door het vrijkomen van productiegegevens, de bemoeilijking van het functioneren van een bedrijf door het publiek worden van interne beraadslagingen of het vrijkomen van koersgevoelige informatie of geheimhoudingsplichten (bijvoorbeeld in het kader van een bedrijfsovername).1
In een zaak over een samenwerking van partijen op mediagebied, waarin partijen voldoende aannemelijk hadden gemaakt dat openbaarmaking van gegevens partijen ernstig zou schaden, beval de rechtbank Amsterdam een voorlopig getuigenverhoor achter gesloten deuren “waar (vertrouwelijke) financiële gegevens en andere (vertrouwelijke) bedrijfsgegevens van partijen inhoudelijk aan de orde komen.”2 Het betrof gegevens die ook voor concurrenten van strategisch belang waren en die de aandacht van de media en het publiek hadden. De rechtbank stelde zich voor ieder getuigenverhoor openbaar te beginnen. Alle vragen die niet de inhoud van vertrouwelijke bedrijfsgegevens betroffen, zouden in het openbaar worden behandeld. Dat de getuigen zich ongemakkelijk voelden door de media-aandacht, achtte de rechtbank een onvoldoende reden voor het sluiten van de deuren.3
Gegevens die tijdens het horen van de getuigen achter gesloten deuren naar voren komen, vallen onder het mededelingverbod van art. 29 lid 1 onder a Rv en mogen door partijen niet worden doorgespeeld aan derden. De rechter kan dit verbod uitstrekken over getuigen, mits hij het mededelingverbod uitdrukkelijk van toepassing verklaart op de getuigen.4 Ook kan de rechter het meedelen aan derden van andere gegevens uit de procedure verbieden (art. 29 lid 1 onder b Rv). Bovendien moet worden bedacht dat het voor de verzoeker lucratiever wordt om het verbod te overtreden naarmate de bedrijfsgeheimen van de verweerder waardevoller zijn voor de verzoeker.5 Het mededelingverbod van art. 29 Rv kan worden versterkt met een door de wederpartij te vorderen dwangsom (art. 611a Rv). Deze dwangsom zal dan hoger moeten zijn dan de waarde van de bedrijfsgeheimen voor de verzoeker.
Met behandeling achter gesloten deuren wordt alleen voorkomen dat vertrouwelijke gegevens op straat komen te liggen en aan derden bekend worden. Niet voorkomen wordt dat de verzoeker de bedrijfsgeheimen te weten komt, terwijl de wederpartij er belang bij kan hebben dat die niet ter kennis van de verzoeker komen. Het horen van de getuigen in het bijzijn van alleen de advocaten, is voor dit probleem geen oplossing. De verzoeker moet immers weten wat de getuigen hebben verklaard om te kunnen beslissen over het al dan niet beginnen of voortzetten van de hoofdzaak.6 Zodra informatie voor de verweerder zelf van belang is (factor 2), is daarom vooral het karakter van de gevraagde informatie (factor 1) relevant.7