Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/331
331 Bescherming van bedrijfsgeheimen is nodig
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS457056:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Persbericht van de Europese Commissie, ‘Commissie stelt regels voor die vertrouwelijke bedrijfsinformatie tegen diefstal helpen beschermen’, 28 november 2013. Zie hierover Tillema 2014.
Zie ook Gielen 1999, p. 68 en 70. Pas wanneer de verzoeker daadwerkelijk overweegt een hoofdzaak aanhangig te maken, dient de eventuele onevenredigheid van het belang van de verzoeker om gebruik te maken van de informatie ten behoeve van de hoofdzaak en het belang van de verweerder bij het geheim blijven van de informatie te worden getoetst. Als het voorlopig getuigenverhoor wordt verzocht enkel voor het achterhalen van bedrijfsgeheimen, zonder dat de bedoeling bestaat een hoofdzaak aanhangig te maken (fishing expedition), bestaat strijd met het doelcriterium. Van der Wiel 2004, nr. 161.
Conclusie A-G Wesseling-van Gent voor HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7831 (Canal+/UPC) en de in noot 11 van haar conclusie genoemde jurisprudentie.
Het proberen te achterhalen van bedrijfsgeheimen is een werkelijk probleem. Volgens het persbericht van de Commissie bij de publicatie van het voorstel voor de ontwerprichtlijn heeft één op de vijf bedrijven de afgelopen tien jaar ten minste één keer te maken gehad met een poging bedrijfsgeheimen te stelen, terwijl volgens een ander onderzoek de aantallen stijgen.1 De omstandigheid dat vertrouwelijke bedrijfsinformatie als gevolg van een voorlopig getuigenverhoor terecht komt bij de verzoeker of derden is een factor die zo zwaar kan wegen dat het verzoek moet worden afgewezen op grond van het onevenredigheidscriterium.2 Gezien de hierboven genoemde cijfers dient de rechter bij de beoordeling van een verzoek vooral niet naïef te zijn als grote (financiële) belangen gemoeid zijn met geheime bedrijfsinformatie. Irrelevant is of de verzoeker beoogt de concurrentiegevoelige informatie te misbruiken; van misbruik kan ook sprake zijn als de verzoeker niet het oogmerk heeft de informatie te misbruiken.3