Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/336
336 Bedrijfsschade
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458305:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Maastricht 28 februari 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BC5463.
Rb. Amsterdam 31 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7432.
Rb. Haarlem 21 januari 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BI2287.
De verzoeker had zijn verzoek voldoende omschreven, had belang bij het snel doen horen van getuigen in verband met de kwaliteit van de getuigenverklaringen en al naar gelang de uitkomst zouden maatregelen in kort geding kunnen worden genomen (de hoofdzaak betrof een vordering op grond van onrechtmatige daad wegens het handelen in strijd met een non-disclosure agreement door gebruik te maken van (delen van) een computerapplicatie).
Hof Arnhem 20 januari 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BH6228, RAV 2009, 71.
HR 11 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1916, NJ 1988, 747, m.nt.W.H. Heemskerk (SOBI/Hollandia- Kloos).
Ook als de gevraagde informatie geen bedrijfsgeheim vormt, kan een voorlopig getuigenverhoor bedrijfsschade opleveren, bijvoorbeeld door (negatieve) publiciteit of het schaden van zakelijke relaties. Het lijden van bedrijfsschade enkel als gevolg van het gebruik maken van het middel van het voorlopig getuigenverhoor is in beginsel geen doorslaggevende factor ten gunste van de verweerder.
In de volgende twee zaken ging de rechtbank zonder veel omhaal voorbij aan de vrees voor negatieve publiciteit en de daaruit volgende schade. De bij het Bisdom Utrecht heersende vrees voor negatieve publiciteit als gevolg van een voorlopig getuigenverhoor, leidde niet tot afwijzing van het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor.1 De rechtbank overwoog daarbij dat (negatieve) publiciteit in een tijd als de huidige een gegeven is; iedere in het publieke leven functionerende organisatie zal dat moeten accepteren. In een zaak over een niet goed verlopen bedrijfsovername meende de rechtbank dat de feiten relevant waren voor de beslissing van de vordering op grond van onrechtmatige daad in de hoofdzaak; om proceskansen in te kunnen schatten, diende de verzoeker meer duidelijkheid over de feiten te verkrijgen.2 De negatieve publiciteit werd ook in deze zaak gezien als een niet steeds te voorkomen gevolg.
In een zaak waarin de voorgedragen getuigen zakenrelaties waren van de verweerder, voerde de verweerder aan dat zijn zakelijke relaties ernstig konden worden geschaad door het voorlopig getuigenverhoor. De zakenrelaties konden de indruk krijgen dat de verweerder een onbetrouwbare zakenpartner was.3 Ook in deze zaak woog dit enkele belang van de verweerder niet voldoende zwaar.4
In een herroepingszaak meende de verzekerde dat de verzekeraar op basis van polis 2 (een collectieve verzekering) van haar herverzekeraar een hoger bedrag kreeg uitgekeerd dan de verzekerde ontving op basis van polis 1 (een individuele polis).5 Volgens de verzekerde mocht de verzekeraar zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet beroepen op de lagere dekking van polis 1. De verzekeraar zou de informatie over polis 2 hebben achtergehouden, wat door de verzekerde als bedrog en derhalve als grond voor herroeping werd beschouwd. In een ten behoeve van deze procedure verzocht voorlopig getuigenverhoor voerde de verzekeraar aan dat hij vreesde dat andere verzekerden ook informatie over herverzekering zouden opvragen. Een gebrek aan onderbouwing van deze stelling leidde tot het oordeel dat de vrees van de verzekeraar onvoldoende was voor het aannemen van misbruik. Ook als wel een gegronde vrees voor het opvragen van herverzekeringsgegevens door andere verzekerden dan de verzoeker bij hun verzekeraar bestaat, leidt dat risico in beginsel niet tot misbruik.
In de zaak SOBI/Hollandia6 voerde de verweerder aan dat in het voorlopig getuigenverhoor een groot deel van zijn bedrijfsgebeuren aan de orde zou komen en dat de publiciteit als gevolg daarvan grote bedrijfsschade zou kunnen veroorzaken. Dit belang van de verweerder woog in casu uiteindelijk wel zwaarder dan het belang van de verzoeker, omdat de te bewijzen feiten onbegrensd en vaag waren. In de regel geldt: als de te onderzoeken feiten onbegrensder en vager zijn, dan zal een groter deel van het bedrijfsgebeuren in het onderzoek aan de orde komen. Naar mijn mening mag van de verzoeker worden verlangd dat hij, als hij informatie wenst die schade kan toebrengen aan het bedrijf van de verweerder, nauwkeurig omschrijft welke feiten hij wil onderzoeken, zodat het onderzoek naar het bedrijfsgebeuren in ieder geval beperkt kan blijven tot die feiten.