Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.5.6.2
2.5.6.2 Het restregelstelsel
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS588563:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6, p. 108; T.M. art. 6.1.2.4.
HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4206, JOR 2012/306, m.nt. Bergervoet (Janssen q.q./ JVS Beheer). Vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3411, JOR 2003/160, m.nt. Bartman (Van de Wetering). Hierbij valt op dat in het geval van regres bij concernfinanciering er ten aanzien van de rangorde bij draagplicht onderscheidenlijke uitspraken zijn. Zie hiervoor H4.
Van Boom 2016, p. 128, aldaar noot 107.
Van Boom 2016, p. 130.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/136, 137.
Art. 1298 CCI; art. 516 CC P.
De Kok 1965, p. 21; Van Boom 1999, p. 109.
Een goed voorbeeld van een (expliciet) restregelstelsel zijn de regresbepalingen art. 443-445, I, 5 ALR:
§ 443. Wie weit ein Verpflichteter, der die Verbindlichkeit gegen den Berechtigten erfüllt hat, sich an die übrigen halten könne, ist nach dem Inhalte des unter ihnen bestehenden Vertrags zu beurtheilen.
§ 444. Ist kein solcher Vertrag vorhanden, so muß die unter ihnen bestehende Verbindlichkeit nach ihren, in Ansehung des übernommenen Geschäfts oder des daraus gezogenen Vortheils, obwaltenden besondern Verhältnissen beurtheilt werden.
§ 445. Kann auch hiernach die Entscheidung nicht erfolgen, so haften die Verpflichteten unter sich zu gleichen Theilen.
De wetsartikelen geven helder de rangorde weer, waarbij de verdelingsnorm draagplicht voor gelijke delen de functie van restbepaling heeft.
Het Nederlandse regresstelsel is een impliciet restregelstelsel. De restpositie van de draagplicht voor gelijke delen blijkt uit de parlementaire geschiedenis1, de jurisprudentie2 en ook in de literatuur is voor dit standpunt steun te vinden.3 Er is ook een ander geluid, zo is in de literatuur geopperd dat de draagplicht voor gelijke delen in het geheel niet als een regel moet worden aanvaard. Dit wordt onderbouwd met het argument dat de rechter anders ‘ongemotiveerd kan vaststellen dat hem geen omstandigheden zijn gebleken die een andere verdeling rechtvaardigen. Enig inzicht in de redengeving voor de verdeling naar gelijke delen wordt aldus niet gegeven’.4
Wanneer bij regres dat voortvloeit uit de contractuele hoofdelijkheid de rechter zijn toevlucht zoekt tot de restregel spreekt dit mijns inziens al boekdelen. Kennelijk hebben partijen geen alternatieve draagplichtverdeling afgesproken en vloeit deze ook anderszins niet voort uit de partijverhouding. Verder zal de regreszoekende partij moeten aantonen dat de wederpartij draagplichtig is, aangenomen mag worden dat daarom de omstandigheden van het regres voor partijen duidelijk zullen zijn. Ook kan het ontbreken van een restregel (of hoofdregel) de regreszoekende partij parten spelen die ten opzichte van de aangesproken partij weinig mogelijkheden heeft om informatie en bewijs te vergaren. Het hebben van een regel kan tegemoetkomen aan deze asymmetrie tussen partijen. Bovendien kan het hebben van een hoofd- of een restregel bijdragen aan de rechtszekerheid. Partijen hebben zodoende enig inzicht in een mogelijke verdeling van de draagplicht.
De Nederlandse wet kent rechtsfiguren waarbij de draagplicht voor gelijke delen als hoofdregel wordt gebruikt. Bijvoorbeeld bij de interne verhouding tussen medeschuldeisers in de zin van art. 6:15 BW. De maatstaf ‘gerechtigdheid tot gelijke delen’ vormt in de onderlinge verhouding tussen de schuldeisers de hoofdregel. Art. 6:15 BW bevat de tenzij-clausule waaruit volgt dat de hoofdregel geldt voor zover niets anders voortvloeit uit de tussen de schuldeisers bestaande rechtsverhouding. Hierbij is titel 3.7 BW (Gemeenschap) van toepassing op de interne verhouding tussen schuldeisers. Deze rechtsverhouding wordt conform art. 3:166 lid 3 BW door de redelijkheid en billijkheid beheerst. Waarbij ingevolgde art. 3:166 lid 2 BW ook bij deelgenoten het vermoeden van gelijke aandelen geldt.5 De in het Nederlandse recht gehanteerde verschillende stelsels bij een pluraliteit van schuldenaren en een pluraliteit van schuldeisers is niet noodzakelijkerwijs nodig. Verschillende buitenlandse rechtsstelsels hanteren voor beide groepen één stelsel.6
Het kenmerkende verschil tussen het hoofdregelstelsel en het restregelstelsel schuilt in de stelplicht en de bewijslast. Wanneer de draagplicht voor gelijke delen als restregel wordt toegepast moet de regresgerechtigde schuldenaar per medeschuldenaar zowel de draagplicht als de omvang van zijn draagplicht aantonen. Ingeval deze verdelingsnorm echter als uitgangspunt wordt gebruikt zal eenieder die een andere verdeling dan gelijke delen voorstaat dit moeten stellen en bewijzen.7
In de Nederlandse literatuur wordt overwegend de voorkeur gegeven om de draagplicht voor gelijke delen niet als hoofdregel te hanteren.8 Mijns inziens is dit te billijken bij regressituaties die betrekkelijk gemakkelijk te stellen en te bewijzen zijn. Wanneer dit niet het geval is, dient deze afweging anders uit te vallen. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij regressituaties waarbij er tussen partijen sprake is van een onredelijke mate van informatie asymmetrie. In het Duitse recht is het mogelijk dat de rechter in een dergelijk geval de bewijslast omkeert.9 Mijns inziens dient deze mogelijkheid ook beschikbaar te zijn voor de Nederlandse rechter.