Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.3.2
5.3.2 Selectie door het nationaal uitvoeringsorgaan
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396069:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit geldt voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie op grond van het Financieel Reglement en de daarop gebaseerde Commissieverordening nr. 2342/2002. Voor de migratiefondsen is dit neergelegd in de Commissiebeschikkingen.
Zie artikel 9, eerste lid, van de Commissiebeschikking EVF, artikel 5, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 1828/2006 (structuurfondsen), artikel 29, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 498/2007 (Europees Visserijfonds), bijlage VI, onder 1.1., van de Commissieverordening nr. 1974/2006 (ELFPO) en artikel 8, eerste lid, van de Commissieverordening 501/2008 (voorlichting- en afzetbevordering).
Zie bijvoorbeeld wat betreft de bedrijfstoeslag de Commissieverordening 1122/2009 en wat betreft de operationele programma's die in het kader van de steun voor telersverenigingen moeten worden ingediend de Commissieverordening nr. 1580/2007. Zie voor minimumvereisten bijvoorbeeld artikel 10 en 11, tweede lid, van de Commissieverordening nr. 288/ 2009 (schoolfruitregeling).
In het kader van Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie wordt van geschiktheidscriteria gesproken. Zie de Programmagids Een Leven Lang Leren 2012, deel I, p. 27. Deze term is afkomstig uit het toepasselijke artikel 175bis van de Commissieverordening bij het Financieel Reglement. Enkele van deze voorwaarden zijn ook in artikel 172 quater van de Commissieverordening bij het Financieel Reglement neergelegd.
Dit geldt voor de schoolfruitregeling (de Commissieverordening 288/2009), de schoolmelk-regeling (de Commissieverordening nr. 657/2008), de Europese subsidies voor ondermelk en magere melkpoeder (de Commissieverordening nr. 2799/99) en telersverenigingen (de Commissieverordening nr. 1580/2007).
Om in aanmerking te komen voor een bedrijfstoeslag dient een landbouwer over bedrijfstoeslagrechten te beschikken. Zie artikel 33 van de Verordening nr. 73/2009.
Zie artikel 173, eerste lid, van de Commissieverordening bij het Financieel Reglement in verbinding met de Programmagids Een Leven Lang Leren 2012, deel I, p. 28 en artikel 8, eerste lid, van de Commissieverordening 501/2008 (voorlichting- en afzetbevordering).
Zie wat betreft de bedrijfstoeslag artikel 11, tweede lid, van de Commissieverordening 1122/ 2009 waarin is bepaald dat de lidstaten zelf een datum mogen kiezen waarop de aanvraag om uitbetaling van de bedrijfstoeslag ieder jaar moet worden ingediend, maar dat deze datum niet later mag zijn dan 15 mei. Zie voor Een Leven Lang Leren de Call for proposals 2011, Lifelong Learning Programme, Pb. 2010, C 290/06. Voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie is in artikel 167, eerste lid, onder d, van de Commissieverordening bij het Financieel Reglement bepaald dat de oproep tot het indienen van voorstellen een uiterste termijn voor het indienen van voorstellen bevat.
Zie bijvoorbeeld artikel 19 van de Commissieverordening nr. 382/2005 (gedroogde voedergewassen); artikel 10 van de Commissieverordening nr. 288/2009 (schoolfruitregeling);
In de Programmagids Jeugd in Actie 2012 is voorgeschreven dat de aanvraag per post en per email moet worden ingediend (zie p. 130).
Zie bijvoorbeeld artikel 11, vierde lid, van de Commissieverordening nr. 657/2008 (school-melkregeling). Zie voor Jeugd in Actie en Een Leven Lang Leren artikel 174 en 174bis van de Commissieverordening van het Financieel Reglement.
Zie bijvoorbeeld de Programmagids Een Leven Lang Leren 2012, deel I (p. 22) waarin is neergelegd dat voor acties waarvoor organisaties een subsidieaanvraag kunnen indienen, alleen aanvragers die rechtspersoon zijn overeenkomstig de nationale wetgeving een aanvraag kunnen indienen.
Voor de schoolfruitregeling (Commissieverordening nr. 288/2009) geldt bijvoorbeeld dat in artikel 9 is bepaald dat de steunaanvragen op de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat voorgeschreven wijze worden ingediend. Wel is voorgeschreven welke gegevens de aanvragen minimaal moeten bevatten.
Zie wat betreft de in te stellen procedures bijvoorbeeld artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Beschikking nr. 573/2007 (EVP) en artikel 5, tweede lid, onder b, van de Commissieverordening 1828/2006 (structuurfondsen). Zie wat betreft de selectiecriteria artikel 75, eerste lid, onder a, van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO); artikel 59, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1198/2006 (Europees Visserijfonds) en artikel 60, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen).
In artikel 9, eerste lid, onder d, van de Commissiebeschikking EVF is dit laatste nog expliciet bepaald.
HvJEG 6 juni 1972, 94/71 (Schltiter & Maack), Jur. 1972, p. 307. Zie ook HvJEG 22 januari 1975, 55/74 (Robert Unkel) Jur. 1975, p. 9.
HvJEU 24 juni 2010, C-375/08 (Luigi Pontini), Jur. 2010, p. 1-5767, r.o. 86.
HvJEU 24 juni 2010, C-375/08 (Luigi Pontini), Jur. 2010, p. 1-5767, r.o. 88. Het is uiteindelijk aan de nationale rechter om dit te beoordelen.
In het subsidiehoofdstuk van het Financieel Reglement dat van toepassing is op Jeugd in Actie en Een Leven Lang Leren worden deze inhoudelijke vereisten opgesplitst in selectiecriteria en toekenningscriteria. Zie artikel 115 van het Financieel Reglement en artikel 176 en 177 van de Commissieverordening behorend bij het Financieel Reglement.
Voor de landbouwsubsidies geldt dat de inhoudelijke vereisten zijn terug te vinden in de Europese (Commissie)verordeningen. Voor Jeugd in Actie en Een Leven Lang Leren stelt de Europese Commissie programmagidsen vast. Zie bijvoorbeeld Programmagids Jeugd in Actie 2012.
Zie bijvoorbeeld artikel 14, vijfde lid, van de Commissiebeschikking EVF waarin een viertal minimumcriteria zijn vastgesteld aan de hand waarvan de lidstaten projecten dienen te selecteren. Zie voorts artikel 70, tweede lid, van de Verordening 1580/2007 waarin is voorgeschreven welke bewijsstukken bij de aanvraag om steun voor een operationeel programma door telersverenigingen moeten worden overgelegd.
Zie bijvoorbeeld artikel 65, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen); artikel 9, eerste lid, van de Commissiebeschikking EVF.
Zie bijvoorbeeld artikel 65, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen). Zie ook GvEA 18 mei 1995, T-478/93 (Wafer Zoo), Jur. 1995, p. II-1479, waarin het ging om een besluit van de Europese Commissie tot goedkeuring van een OP in het kader van de Verordening nr. 866/90 (verwerking en de afzet van landbouwproducten), met uitzondering van het project van Wafer Zoo omdat dit project niet aan het selectiecriterium zou voldoen dat de jaarlijkse productie niet meer dan 20.000 ton mocht bedragen. Het Gerecht komt tot het oordeel dat dit selectiecriterium niet voor Wafer Zoo bekend was, nu geen publicatie had plaatsgevonden in het Publicatieblad. Hiermee was volgens het Gerecht het rechtszekerheidsbeginsel geschonden.
Voor het ESF en EFRO impliceert artikel 60, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1083/2006 dat de selectiecriteria voor concrete acties moeten stroken met de selectiecriteria uit het OP.
Zie bijvoorbeeld artikel 26, tweede lid, onder a, van de Commissieverordening nr. 1975/2006 (ELFPO).
Zie bijvoorbeeld artikel 60, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen) en artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1198/2006 (Europees Visserijfonds).
Zie bijvoorbeeld artikel 60, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen). Zie ook artikel 26, tweede lid, onder c, van de Commissieverordening nr. 1975/ 2006 (ELFPO) waarin is bepaald dat met name moet zijn voldaan aan, voor zover relevant, regels betreffende overheidsopdrachten en staatssteun.
Zie bijvoorbeeld artikel 39, derde lid, van de Verordening 1698/2005 (ELFPO) waarin is bepaald dat agromilieuverbintenissen in de regel voor 5 tot 7 jaar worden aangegaan.
Het minimumtotaalbedrag voor rechtstreekse betalingen (waaronder de bedrijfstoeslag) is bijvoorbeeld 100 euro. Zie artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening nr. 73/2009.
Dit vereiste is vrijwel in elke Europese subsidieregeling terug te vinden. Zie uitgebreid hoofdstuk 2, paragraaf 2.7.1.
Dit volgt vrijwel altijd reeds uit de Europese subsidieregelgeving. Zie bijvoorbeeld de Programmagids Een Leven Lang Leren 2012, deel I, p. 33; artikel 34, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen) en artikel 54 van de Verordening nr. 1198/ 2006 (Europees Visserijfonds).
Zie hieromtrent Jacobs & Den Ouden 2011a, p. 213-214.
Zie de Programmagids Een Leven Lang Leren 2011, p. 29.
Zie Jacobs & Den Ouden 2011a, p. 214. In het programma Een Leven Lang Leren wordt van kwaliteitsdrempel gesproken, zie de Programmagids Een Leven Lang Leren 2012, deel I, p. 25.
Zie bijvoorbeeld artikel 28, tweede lid, van de Verordening nr. 73/2009 (bedrijfstoeslag) waarin is bepaald dat de lidstaten met ingang van 2010 objectieve en niet-discriminerende criteria kunnen opstellen om ervoor te zorgen dat er geen rechtstreekse betalingen worden verstrekt aan een natuurlijk of rechtspersoon wiens landbouwactiviteiten slechts een onaanzienlijk deel uitmaken van zijn totale economische activiteiten.
Zie bijvoorbeeld de Gids voor de nationale agentschappen Een Leven Lang Leren waarin verschillende keren naar de programmagids wordt verwezen. Zie bijvoorbeeld artikel 3.62.1, eerste lid.
De uitwerking van het beginsel van cofinanciering in artikel 53 van de structuurfondsen-verordening is bijvoorbeeld nog niet concreet genoeg om aan een nationale aanvrager van een subsidie te kunnen tegenwerpen. Op nationaal niveau zal moeten worden bepaald - uiteraard met inachtneming van de Europese regelgeving, het OP en de beschikking van de Europese Commissie - dat alleen subsidieaanvragen kunnen worden gehonoreerd waarbij de cofinanciering op orde is. Hetzelfde geldt voor de regel van cofinanciering die is opgenomen in de migratiefondsenbeschikkingen (zie bijvoorbeeld artikel 14, vierde lid, van de Beschikking nr. 573/2007 (EVF)), nu deze beschikkingen zijn gericht tot de lidstaten en niet tot de nationale ontvangers van de Europese subsidie.
Voor de overige Europese subsidies geldt dat alleen het subsidieverstrekkende nationaal uitvoeringsorgaan met de selectie van de subsidieaanvragen is belast. Het nationale uitvoeringsorgaan dient aan de mogelijkheid om een subsidieaanvraag in te dienen voldoende bekendheid te geven. Soms is voorgeschreven dat per jaar oproepen tot het indienen van voorstellen worden gepubliceerd;1 soms wordt volstaan met het opleggen van de verplichting aan de lidstaat om publiciteit te geven aan de mogelijkheid tot het aanvragen van Europese subsidies.2
Wat betreft de formele vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen, bestond in het verleden altijd veel vrijheid voor de lidstaten. In de Europese landbouwsubsidieverordeningen uit het ELGF zijn de formele (minimum)eisen aan de subsidieaanvraag inmiddels zeer gedetailleerd omschreven.3 Hetzelfde geldt voor de Europese subsidieprogramma's Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie.4 Om een aanvraag te kunnen indienen voor een Europese landbouwsubsidie is soms vereist dat men door het nationaal uitvoeringsorgaan is erkend5 of dat men over bepaalde rechten beschikt.6 Verder is soms bepaald dat een door de Europese Commissie of het nationale uitvoeringsorgaan voorgeschreven aanvraagformulier wordt gebruikt,7 de aanvraag binnen een voorgeschreven termijn moet worden ingediend,8 welke gegevens die de subsidieaanvraag ten minste moet bevatten,9 op welke wijze de aanvraag moet worden ingediend,10 welke documenten bij de aanvraag moeten worden overgelegd11 en wie een subsidieaanvraag moet kunnen indienen.12 Per Europese subsidieregeling verschilt in hoeverre nog ruimte bestaat voor aanvullingen op nationaal niveau.13
Uit de Europese regelgeving die ziet op de overige Europese subsidies volgt dat het nationaal uitvoeringsorgaan de procedures instelt voor de selectie van projecten die voor Europese subsidies in aanmerking komen en de selectiecriteria vaststelt.14 De Europese subsidieregelgeving staat er niet aan in de weg dat ook formele vereisten aan de subsidieaanvraag worden gesteld en dat een uiterste datum van indiening wordt vastgesteld.15 De vrijheid die nationale uitvoeringsorganen toekomt, is echter niet onbegrensd. Dat een Europese verordening niet uitdrukkelijk bepaalt in welke vorm een verzoek om een Europese subsidie moet worden gedaan, betekent bijvoorbeeld niet dat nationale uitvoeringsorganen aan eindontvangers van Europese subsidies allerlei formele regels kunnen opleggen en op straffe van niet-naleving daarvan subsidieaanvragen kunnen afwijzen.16 Het aanvragen van Europese subsidies moet niet onmogelijk worden gemaakt door formalisme. Dit betekent bijvoorbeeld dat lidstaten bij gebruikmaking van de beoordelingsmarge welke documenten bij de aanvraag moeten worden overgelegd, de doelstellingen van de Europese regelgeving en de algemene Europese rechtsbeginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel, in acht moeten nemen.17 Indien een formeel vereiste is vastgesteld met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de EU, lijken deze beginselen daaraan echter niet snel in de weg te staan.18
Soms zijn in de Europese subsidieregelgeving niet alleen formele eisen, maar ook inhoudelijke eisen neergelegd waaraan moet zijn voldaan om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen.19 Voor de landbouwsubsidies uit het ELGF en voor de Europese subsidies uit hoofde van Jeugd in Actie en Een Leven Lang Leren geldt dat deze eisen op Europees niveau zijn vastgesteld.20 In andere gevallen is slechts een aantal criteria vastgesteld,21 maar nog vaker wordt het vaststellen van inhoudelijke vereisten aan de lidstaten zelf overgelaten.22 Indien inhoudelijke selectiecriteria ontbreken is in de meeste Europese subsidieregelgeving vaak expliciet opgenomen dat de selectiecriteria moeten worden vastgesteld en bekendgemaakt.23 Uiteraard moeten de inhoudelijke vereisten die door het nationaal uitvoeringsorgaan worden vastgesteld, wel binnen de Europese kaders vallen.24
Bij inhoudelijke voorwaarden moet worden gedacht aan de eisen aan de subsidiabele activiteiten,25 overeenstemming met de voor het OP geldende criteria,26 overeenstemming met de geldende nationale en Europese voorschriften,27 de maximale duur van een project,28 een minimaal subsidiebedrag,29 het vereiste van cofinanciering,30 en ook dat voor één project maar één Europese subsidie mag worden verstrekt.31 Het gaat hier om absolute criteria.32 Ten slotte schrijft de Europese subsidieregelgeving in sommige gevallen voor dat de subsidieaanvragen moeten worden beoordeeld op inhoudelijke kwalitatieve aspecten, zoals dat de aanvrager over de vereiste financiële en operationele capaciteit moet beschikken om de voorgestelde activiteit te kunnen uitvoeren.33 Het oordeel over voormelde aspecten moet in ieder geval positief zijn, wil een aanvraag voor subsidie in aanmerking kunnen komen.34
Voor de Europese landbouwsubsidies uit het ELGF geldt dat de inhoudelijke vereisten die zijn neergelegd in Europese (Commissie)verordeningen direct door nationale uitvoeringsorganen kunnen worden toegepast. In sommige gevallen bestaat nog ruimte voor aanvullingen in het nationale recht.35 De inhoudelijke vereisten die in het kader van Jeugd in Actie en Een Leven Lang Leren in de programmagidsen van de Europese Commissie zijn vastgesteld, zijn eveneens direct toepasbaar bij de beoordeling van de subsidieaanvragen. De nationale agentschappen zijn aan de programmagidsen gebonden op grond van de voor hen bindende Gids voor de nationale agentschappen.36 Ten opzichte van de aanvrager is het niet problematisch dat de inhoudelijke vereisten zijn neergelegd in een programmagids. Ingevolge artikel 115, tweede lid, van het Financieel Reglement worden immers de toekenningscriteria in de oproepen tot het indienen van voorstellen gepubliceerd. Europeesrechtelijk staat niets eraan in de weg dat in deze oproepen wordt verwezen naar programmagidsen. Voor de overige Europese subsidieregelingen geldt doorgaans dat de inhoudelijke vereisten die uit de Europese subsidieregelgeving voortvloeien door nationale uitvoeringsorganen moeten worden doorvertaald in de nationale subsidieverhouding.37