Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld
Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/8.6:8.6 Afronding
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/8.6
8.6 Afronding
Documentgegevens:
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285230:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gezien de doelstellingen van de fiscale geheimhouding wordt het object van de geheimhouding van oudsher breed en veelomvattend opgevat. De fiscale geheimhoudingsplicht is ingestoken vanuit het onderworpen subject; informatie kan pas worden aangemerkt als object van de fiscale geheimhouding als de ontvanger van die informatie het in zijn hoedanigheid van onderworpen subject verwerkt. Er moet sprake zijn van een functioneel verband. Dit functionele verband kan ook bestaan bij als fiscaal niet-relevant beoordeelde informatie of zelfs pas achteraf ontstaan op het moment dat reeds bestaande kennis door een onderworpen subject in die hoedanigheid wordt verwerkt. Het functionele verband tussen het onderworpen subject en (de kennis over) het object van de geheimhouding wordt met de vernietiging van de gegevens niet tenietgedaan. Wat de reikwijdte is van het functionele verband, is afhankelijk van de categorie waarin het onderworpen subject valt. Hierbij heb ik teruggegrepen op de door mij in Hoofdstuk 7 onderscheiden Categorie I, Categorie II en Categorie III. Voor de onderworpen subjecten uit Categorie I is dit functioneel verband volstrekt logisch en behoeft dan ook mijns inziens niet te worden aangepast. Uit de voorgestelde tekst van art. 67, vierde lid, AWR (nieuw) blijkt dat het functionele verband – en daarmee de fiscale geheimhoudingsplicht – zich beperkt tot de door de afnemers van fiscale informatie (Categorie II) ontvangen fiscale gegevens en niet ‘doorwerkt’ naar eventuele vervolginformatie die zij verkrijgen op grond van hun eigen, niet-fiscale bevoegdheden. Hetzelfde geldt voor de informatieplichtigen aan wie een tijdelijke geheimhoudingsverplichting is opgelegd (Categorie III); het functionele verband ziet niet op de achterliggende informatie, maar beperkt zich tot de opgelegde informatieverplichting. Ik heb in dit hoofdstuk kort stilgestaan bij de vraag of niet het subject, maar het object als uitgangspunt voor de geheimhoudingsbepaling zou moeten worden genomen; is het mogelijk om het object van de fiscale geheimhouding te definiëren om daarna te bepalen welke personen – die de beschikking krijgen over deze gegevens – zouden moeten worden aangemerkt als een onderworpen subject? Dit idee heb ik echter snel terzijde geschoven.
Uit de vergelijking in Hoofdstuk 5 van de geheimhoudingsbepalingen uit de Awb en de AWR komt naar voren dat art. 2:5 Awb niet van toepassing is op gegevens en inlichtingen die het vertrouwelijk karakter ontberen. Hiervan is sprake ingeval het openbaar bekende gegevens betreffen, degene op wie de gegevens betrekking hebben heeft ingestemd met verstrekking van die gegevens of sprake is van niet-herleidbare gegevens. Ik heb onderzocht of aansluiting moet worden gezocht bij art. 2:5 Awb. Openbaar bekende gegevens dienen mijns inziens onverminderd aangemerkt te blijven als object van de fiscale geheimhouding. Hoewel betrokkenen een minder grote verwachting van hun privacy mogen hebben als hun gegevens in een open bron beschikbaar zijn, dient hun privacy nog steeds te worden beschermd. Het is niet aan de inspecteur om (wellicht) openbaar bekende gegevens te delen met derden, maar het is aan deze derden zelf om – met inachtneming van de eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden – diezelfde openbare bronnen te raadplegen. Het is van oudsher niet aan elke individuele persoon (om wiens gegevens het gaat) om te bepalen of de informatie, waarop de geheimhoudingsplicht betrekking heeft, bekend gemaakt mag worden. Ook dit dient mijns inziens ongewijzigd te blijven. De doelstellingen van de fiscale geheimhouding zijn anders dan die van art. 2:5 Awb en beogen niet alleen de belangen van burgers en bedrijven te beschermen, maar richten zich ook op de belangen van de Belastingdienst. Daarnaast is er een aantal praktische bezwaren tegen het functioneren van de Belastingdienst als doorgeefluik. Deze praktische bezwaren zijn niet onoverkomelijk, maar een heldere, robuuste regeling heeft de voorkeur. Als laatste argument kan worden verwezen naar Hoofdstuk 10 waar ik een voorstel doe om de gegevensverstrekking aan de betrokkene zelf vergaand te verruimen. Hierdoor is er ook geen noodzaak meer om het object van de geheimhouding in te perken.
Niet-herleidbare gegevens zijn van oudsher aan te merken als een object van de geheimhouding. Het verstrekken van geanonimiseerde gegevens kan dan ook ‘gewoon’ leiden tot strafrechtelijke vervolging wegens schending van de geheimhoudingsplicht. Bij de herziening van de geheimhoudingsbepaling per 1 januari 2008 is dit nogmaals door de Staatssecretaris van Financiën bevestigd. Ik heb geconstateerd dat hij in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de belastingwet – blijkens zijn opmerkingen over het inlichtingenrecht van art. 68 GW en de publicatie van geanonimiseerde rulings – een andersluidende opvatting heeft. Het verwerken van niet-herleidbare fiscale gegevens voor andere, niet-fiscale doeleinden valt in de dagelijkse praktijk niet meer weg te denken en doet ook geen afbreuk aan de doelstellingen van de fiscale geheimhoudingsbepaling. Het verdient mijns inziens daarom aanbeveling om een deugdelijke wettelijke basis te creëren voor het verstrekken van niet-herleidbare gegevens. Verstrekking van niet-herleidbare gegevens kan naar mijn mening worden opgenomen in art. 67, tweede lid, onderdeel d, AWR (nieuw), luidende:
gegevens niet-herleidbaar zijn tot individuele betrokkenen. Onze Minister stelt regels in welke gevallen de vorige volzin toepassing vindt.
Niet genoeg kan worden benadrukt dat anonimiseren veel meer is dan het enkel weglakken van een paar namen. Voorkomen dient te worden dat met een beetje gezond verstand, enige achtergrondinformatie of een paar eenvoudige zoekslagen op het internet betrokkenen alsnog achterhaald kunnen worden.