Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht
Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht (VDHI nr. 109) 2011/3.4.2:3.4.2 Een korte analyse van de toelaatbaarheid: aanwezigheid en ontbreken van wettelijke kaders
Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht (VDHI nr. 109) 2011/3.4.2
3.4.2 Een korte analyse van de toelaatbaarheid: aanwezigheid en ontbreken van wettelijke kaders
Documentgegevens:
mr. H.J.M.M. van Boxel, datum 11-05-2011
- Datum
11-05-2011
- Auteur
mr. H.J.M.M. van Boxel
- JCDI
JCDI:ADS439339:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De analyse kan worden gemaakt wanneer een aantal stelregels wordt geformuleerd. Die regels dienen te zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat het een kwestie is van wel of niet.
Wanneer de Nederlandse wet een (vorm van) grensoverschrijdende fusie ondubbelzinnig toestaat is er geen discussie over de vraag of de fusie toelaatbaar is. De toelaatbaarheidvraag wordt in die gevallen beantwoord met een 'wel'.
De grensoverschrijdende fusies welke in de Nederlandse wet zijn geregeld zijn:
de fusie op grond van de SE Verordening en daarbij behorende uitvoeringswet;
de fusie van kapitaalvennootschappen binnen de Europese Economische Ruimte met toepassing van de wettelijke regels zoals die zijn geïmplementeerd op grond van de Richtlijn GOF.
Het betreft — binnen de wettelijke kaders — zowel inbound fusies als outbound fusies.
Ontbreekt een duidelijke wettelijke regeling dan dient de toelaatbaarheidsvraag te worden beantwoord op basis van twee subvragen:
houdt het ontbreken van een duidelijke regeling een verbod in of moet bij gebreke van een duidelijk verbod de fusie mogelijk geacht worden. Het gaat hier om de interpretatie van de artikelen 308 en 310; en
moeten er op basis van Europese regels en rechtspraak betreffende de vrijheid van vestiging nuanceringen worden aangebracht bij een restrictieve interpretatie van de artikelen 308 en 310?