Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.8.2.1
9.8.2.1 Inleiding
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648722:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de ontwikkeling van hoofdelijkheid paragraaf 9.4.7 en 7.4.3.
Voor uitgebreidere studies naar de geschiedenis van borgtocht en hoofdelijkheid zij verwezen naar de aangehaalde literatuur. Zie in het bijzonder Van Boom 1999; Koops 2010 en Bergervoet 2014.
In het bijzonder is de Hoge Raad zeer strikt in de leer. Hij bakent de twee rechtsfiguren van elkaar af (zie HR 28 juni 2002, JOR 2002/136; NJ 2002/447 en HR 3 april 2015, JOR 2015/191; NJ 2015/255). Daarmee worden hybride rechtsfiguren, die trekken hebben van borgtocht en hoofdelijkheid, uitgesloten, terwijl de geschiedenis leert dat er altijd een sterke behoefte is geweest aan hybride varianten.
Korthals Altes 1933, p. 125.
Korthals Altes 1933, p. 126-127.
Een betoog dat het aangaan van een overeenkomst door de vrijgestelde rechtspersoon eenzelfde causa is waardoor zowel consoliderende rechtspersoon als vrijgestelde rechtspersoon worden verbonden, is technisch gezien niet juist. Voor de binding van de consoliderende rechtspersoon is meer nodig, namelijk de afgifte van een 403-verklaring. Het is een uitgemaakte zaak dat de aansprakelijkheid van de consoliderende rechtspersoon daarop is gebaseerd. De voorbeeldsituatie waarin de vrijgestelde rechtspersoon reeds duurovereenkomsten heeft gesloten (arbeidsovereenkomsten, huurovereenkomsten) ruim voordat de consoliderende rechtspersoon overgaat tot het afgeven van een 403-verklaring, maakt duidelijk dat het aangaan van de overeenkomsten door de vrijgestelde rechtspersoon niet de causa is geweest voor het ontstaan van aansprakelijkheid van de consoliderende rechtspersoon.
Korthals Altes 1933, p. 126.
Te denken valt bijvoorbeeld aan vordering uit een gezamenlijk gepleegde onrechtmatige daad.
Om in de woorden van Schoordijk te spreken: “Zou het niet zo zijn dat de wetgever hoofdelijkheid en borgtocht nogal slordig op één hoop heeft gegooid?” Schoordijk 2003, p. 64.
Korthals Altes 1933, p. 126.
De groepsvrijstellingsregeling is geïntroduceerd in de jaren zeventig, onder het OBW. Onder het OBW werd een andere invulling gegeven aan het begrip hoofdelijkheid dan in het huidige Burgerlijk Wetboek dat in 1992 werd ingevoerd. De ontwikkeling van de rechtsfiguur hoofdelijkheid1 hangt samen met de ontwikkeling van de rechtsfiguur borgtocht omdat het door de geschiedenis heen vaak de vraag was of sprake was van óf hoofdelijkheid, óf borgtocht.
In de navolgende paragrafen zal een zeer beknopte beschrijving worden gegeven van de ontwikkeling van de rechtsfiguur borgtocht.2 Het accent is gelegd op de ontwikkeling van enkele karakteristieke aspecten van borgtocht, zoals subsidiariteit en het bestaan van slechts één schuld (en één daarmee corresponderend vorderingsrecht) en meerdere verbintenissen. De voornaamste focus ligt echter op de vraag hoe de rechtsfiguur borgtocht zich heeft verhouden tot de rechtsfiguur hoofdelijkheid.
Door de tijd heen was het onderscheid tussen de rechtsfiguren borgtocht en hoofdelijkheid niet zo strikt als nu het geval is.3 Illustratief is het volgende citaat van Korthals Altes, die in 1933 een proefschrift schreef met de titel Borgtocht naar Hedendaagsch Nederlandsch recht:4
“Te allen tijde heeft er groote verwarring bestaan tusschen borgtocht en hoofdelijkheid. Enerzijds doordat men, om aan de lastige borgtochtsbepalingen te ontkomen den vorm van de passieve hoofdelijkheid ging bezigen om te construeren wat materieel borgtocht was, anderzijds doordat de wetgever – met name Justinianus – de bepalingen van borgtocht toepasselijk verklaarde op hoofdelijke medeschuldenaren. Men ging toen iedere passieve correalisteitsverhouding beschouwen als een wederkeerige borgtocht, terwijl de verwarring tenslotte haar bekroning verkreeg in den vorm van den hoofdelijken of zelfschuldigen borg, toen de borg zich ging verbinden als “borg van en hoofdelijk medeschuldenaar met” den hoofdschuldenaar.”
Bij het bestuderen van de ontwikkeling van de rechtsfiguur borgtocht blijkt dat de bestudering van de ontwikkeling van de rechtsfiguur hoofdelijkheid zo goed als onvermijdelijk is. Vice versa geldt hetzelfde. De invulling van beide rechtsfiguren raakt elkaar telkens.
Een aantal belangrijke punten dient bij het bestuderen van de technische details van beide rechtsfiguren voorop te worden gesteld: een borgtocht wordt aangegaan om zekerheid te verstrekken voor de nakoming van een prestatie door een derde. Voor borgtocht is dan ook een separate overeenkomst vereist waarin de aansprakelijkheid van de borg – naast de hoofdschuldenaar – haar basis vindt. Hoofdelijkheid is in beginsel geen zekerheid voor de nakoming van een prestatie door een derde maar geldt wanneer meerdere schuldenaren aansprakelijk zijn voor de nakoming van een gezamenlijke en daarmee gedeelde eigen schuld. Hoofdelijke verbondenheid ontstaat voor alle hoofdelijk gebonden schuldenaren op basis van eenzelfde rechtsfeit:5
“Bovendien is de causa van den borgtocht een andere dan die van de hoofdverbintenis: daarover zijn alle schrijvers het eens, welke definitie zij ook van het causa-begrip geven. Bij de echte hoofdelijkheid is er, zooals bleek, eenheid van causa.”
Hieruit blijkt al dat de zekerheid, die door een consoliderende rechtspersoon door middel van een 403-verklaring wordt afgegeven ten aanzien van schulden van een vrijgestelde rechtspersoon, fundamentele kenmerken van borgtocht in zich draagt en fundamentele kenmerken van hoofdelijkheid ontbeert. De aansprakelijkheid van een consoliderende rechtspersoon is gebaseerd op de 403-verklaring. De aansprakelijkheid van de vrijgestelde rechtspersoon is gebaseerd op een andere rechtshandeling.6
Een ander belangrijk kenmerk van hoofdelijkheid is dat schuldenaren op gelijke wijze gebonden zijn. De schuldenaren zijn nevengeschikt. Er is geen sprake van een hoofdschuldenaar en een ‘zekerheidsschuldenaar’:7
“Het is duidelijk, dat de hoofdverbintenis en de subsidiaire accessoire nevenverbintenis van den borg geen hoofdelijke verbintenissen zijn. Hoofdelijke medeschuldenaren zijn tegenover den schuldeischer geheel gelijkelijk gebonden, niet de een meer primair de ander meer subsidiair; de verbintenis van ieder hunner is in gelijke mate van die der anderen afhankelijk.”
Het verstrekken van zekerheid geschiedde al sinds het Romeinse recht door het aangaan van een borgtocht. Millennia lang is borgtocht de rechtsfiguur geweest waarmee zekerheid werd verstrekt en in dat licht heeft deze rechtsfiguur zich ontwikkeld. Dat geldt niet voor hoofdelijkheid. Hoofdelijkheid is in het leven geroepen voor situaties waarin meerdere personen gehouden zijn eenzelfde, eigen schuld te voldoen.8
In het kader van de groepsvrijstellingsregeling dient een consoliderende rechtspersoon een zekerheid te verschaffen aan reeds bestaande en toekomstige schuldeisers van de vrijgestelde rechtspersoon teneinde het gebrek aan inzicht in de jaarstukken te compenseren. Bestaat de keuze uit de twee smaken hoofdelijkheid en borgtocht, dan geldt op voorhand dat borgtocht de voor de hand liggende keuze is wanneer er sprake is van een situatie waarin een zekerheid dient te worden verstrekt.
Zonder daarbij stil te hebben gestaan, zo lijkt in ieder geval uit de parlementaire geschiedenis te kunnen worden afgeleid, heeft de wetgever in de groepsvrijstellingsregeling gekozen voor hoofdelijkheid in plaats van borgtocht.9 Het karakter van de door de consoliderende rechtspersoon in het kader ven de groepsvrijstelling te verstrekken zekerheid vertoont alle fundamentele karaktertrekken van een borgtocht.
Wordt gezocht naar een verklaring voor de keuze van de wetgever om hoofdelijkheid in de groepsvrijstellingsregeling op te nemen, dan moet daarbij worden gekeken naar het recht dat gold onder het OBW. Dat recht gold toen de groepsvrijstellingsregeling werd ontworpen en hoofdelijkheid in de groepsvrijstellingsregeling werd opgenomen.
Onder het OBW was het onderscheid tussen de twee rechtsfiguren hoofdelijkheid en borgtocht niet altijd scherp. De meest gebruikte vorm van zekerheid werd zelfs aangeduid met de term ‘hoofdelijke borg’. Ligt dit vage onderscheid en het verwarrende gebruik van de verschillende termen ten grondslag aan het feit dat nu hoofdelijkheid is opgenomen in de groepsvrijstellingsregeling in plaats van borgtocht? Overwegingen in de parlementaire geschiedenis ontbreken, dus we zullen het niet weten.
Duidelijk is wel dat het toepassen van de rechtsgevolgen van hoofdelijkheid, op een situatie waar eigenlijk borgtocht de aangewezen rechtsfiguur is, tot (zeer) ongewenste gevolgen kan leiden. Dit blijkt uit de problemen die dit oplevert bij de toepassing van de groepsvrijstelling, zie hoofdstuk 6. Niet alleen op basis van de huidige praktijk zal moeten worden onderkend dat de toepassing van de beginselen van hoofdelijkheid, op een situatie waar de facto sprake is van het verstrekken van zekerheid voor de schuld van een derde, leidt tot ongewenste resultaten. Dit werd reeds veel eerder onderkend:10
“Want degene, die zich verbindt als hoofdelijk of zelfschuldig borg, beoogt altijd een borgstelling af te geven: op de toevoeging “en hoofdelijk medeschuldenaar met” zal hij nauwelijks achtslaan, ook omdat veelal de verdere borgtochtakte voordurend spreekt van borgtocht, althans borgtochtbepalingen uitsluit. Daarom is een toepassing van het recht van hoofdelijk medeschuldenaren op den borg ongewenscht.”