Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.4.5.1
9.4.5.1 Inleiding
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655671:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hartkamp en Sieburgh spreken in dit verband van een ‘argumenteerlast’ (curs. ACWP) van de aansprakelijke. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 2019 (6-IV), nr. 144 en Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 82. Zie over de bewijslastverdeling in het kader van art. 6:98 BW ook Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 45; Asser 2004, nr. 182. Zie voor een ander geluid op dit punt Boonekamp, Stelplicht en Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW. A-G F. F. Langemeijer lijkt in punt 2.22-2.23 van zijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2019:61, bij het 81 RO-arrest HR 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:326 (ABN AMRO Bank N.V./X) Boonekamp op dit punt te volgen.
De Hoge Raad lijkt in het World Online-arrest enigszins te miskennen dat het bij art. 6:98 BW niet in de eerste plaats om een bewijslast, maar om een argumenteerlast gaat. Zo overweegt hij dat ten aanzien van het causaal verband ex art. 6:98 BW ‘in beginsel de gewone bewijsregels (…) gelden’(curs. ACWP), aldus HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m. nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.3.
Zoals bekend heeft de Hoge Raad in het arrest Tennet TSO B.V. e. a./ABB B.V. geoordeeld dat ook de redelijkheid van art. 6:100 BW moet worden beoordeeld aan de hand van de in art. 6:98 BW besloten maatstaven, zie HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262, m.nt. S.D. Lindenbergh en J.S. Kortmann (TenneT TSO B.V. e.a./ABB B.V. e.a.), r.o. 4.4.3. Zie ook HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, NJ 2017/146, m.nt. Tjong Tjin Tai (Dexia Nederland B.V./De Vries), r.o. 3.5. En zie over de redelijkheidsmaatstaf van art. 6:100 BW ook Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 100-102.
Als de (omvang van de) door de belegger geleden koersschade eenmaal is vastgesteld, wil dat uiteraard niet zeggen dat het aldus vastgestelde schadebedrag ook meteen (volledig) voor vergoeding in aanmerking komt. De gedaagde heeft namelijk nog verschillende verweren uit hoofde van afdeling 6.1.10 BW tot zijn beschikking om zijn schadevergoedingsverplichting te (laten) verminderen.1 Zo kan de gedaagde zich onder meer beroepen op het leerstuk van de redelijke toerekening ex art. 6:98 BW, en aanvoeren dat niet het volledige schadebedrag aan hem kan worden toegerekend. Ook kan de gedaagde zich onder omstandigheden beroepen op het leerstuk van voordeelsverrekening ex art. 6:100 BW en/of het leerstuk van de eigen schuld ex art. 6:101 BW, en langs die weg proberen de door hem te betalen schadevergoeding te beperken.
Tot besluit van deze paragraaf over de procespositie van de beleggers die aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag leggen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs, sta ik in deze subparagraaf daarom stil bij de processuele mogelijkheden die de gedaagde op grond van afdeling 6.1.10 BW heeft om zich tegen deze vordering te verweren. In § 9.4.5.2 bespreek ik eerst de belangrijkste verweren die de gedaagde kan voeren uit hoofde van het toerekeningsverband ex art. 6:98 BW. In § 9.4.5.3 benoem ik daarna de drie belangrijkste situaties waarin de gedaagde zich met succes kan beroepen op het leerstuk van voordeelsverrekening ex art. 6:100 BW. Voor een bespreking van de belangrijkste eigenschuldverweren die de gedaagde in dit verband kan voeren, verwijs ik naar § 5.6.2.
Ik heb nog één opmerking vooraf over de stelplicht en de bewijslast. Wanneer de gedaagde een beroep doet op het toerekeningsverband van art. 6:98 BW, is het aan hem om te beargumenteren (en de bij wijze van verweer aangevoerde feiten te stellen en – bij betwisting – te bewijzen)2 dat de door de beleggers gestelde koersschade hem niet (volledig) kan worden toegerekend.3 Ook als de gedaagde zich beroept op het leerstuk van voordeelsverrekening, is het op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv aan hem om te stellen en – bij betwisting – te bewijzen dat de eisende belegger als gevolg van dezelfde gebeurtenis waaruit de koersschade voortvloeide (in dit geval de misleiding), ook een voordeel heeft behaald. Daarnaast is het ook aan de gedaagde om te beargumenteren dat het tevens redelijk is (in de zin van art. 6:100 BW) het door de belegger behaalde voordeel met de schadevergoeding te verrekenen.4