Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/4.3.4.5
4.3.4.5 Vennootschapsbelastingplichtig lichaam
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS498924:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld stichtingen en verenigingen die beperkt belastingplichtig zijn ex art. 2 lid 1 onderdeel e Wet VPB 1969, en die de aandelen niet tot hun ondernemingssfeer rekenen.
Ook C.P.M. van Houte, Fiscale aspecten van omzetting van rechtspersonen, Elsevier Dossier, nummer 40, 2000, p. 20, merkt op dat ‘de liquidatie-uitkering eventueel onder de deelnemingsvrijstelling kan vallen.’
Een eventueel ontvangen schadevergoeding wegens het verlies van de aandelen ex art. 2:181 lid 2 BW is hierbij logischerwijs niet relevant.
Wat betreft de aandeelhouders/lichamen kunnen in hoofdzaak twee situaties worden onderscheiden. In de eerste plaats de lichamen voor wie de vervallen aandelen niet tot het ondernemingsvermogen behoorden.1 In de tweede plaats lichamen voor wie de vervallen aandelen wel tot het ondernemingsvermogen behoorden. Wat betreft de eerste categorie kan ik kort zijn omdat de omzetting voor de heffing van vennootschapsbelasting geen relevant rechtsfeit is. Wat betreft de tweede categorie kan een onderscheid worden gemaakt tussen de lichamen voor wie de aandelen een deelneming vormen en de lichamen voor wie de aandelen geen deelneming vormen.
In de gevallen waarin de aandelen geen deelneming vormen, geldt blijkens art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 het winstregime in de inkomstenbelasting. Ik verwijs dan ook naar paragraaf 4.3.4.2 hiervóór. Voor de aandeelhouders/lichamen met een deelneming in de omzettende rechtspersoon, mondt de fictieve liquidatie-uitkering ex art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 niet uit in een heffing van vennootschapsbelasting.2 De vraag rijst of het lichaam een liquidatieverlies ex art. 13d Wet VPB 1969 in aanmerking kan nemen. Hoewel van een ontbinding en vereffening geen sprake is, lijkt de gefingeerde liquidatie(-uitkering) te impliceren dat in beginsel een liquidatieverlies kan worden genomen. Daarbij zij aangetekend dat de fictieve liquidatieuitkering ex art. 28a lid1 onderdeel b Wet VPB 1969 het in aanmerking te nemen liquidatieverlies doet verminderen.3