Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/7.3.4.9
7.3.4.9 Rechtsvorderingen
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS492988:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 7:834 lid 7 BW
Kamerstukken II 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 67.
Welke regels ingrijpend gewijzigd zijn in het kader van flexibilisering van het BV-recht.
Kamerstukken II 2002/03, 28 746, nr. 4, p. 15 en Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, p. 18 en C.W. de Monchy, 'Nieuwe omzettingen in het vennootschapsrecht', Ondernemingsrecht 2003-4, p. 124-132.
C.W. de Monchy, 'Nieuwe omzettingen in het vennootschapsrecht', Ondernemingsrecht 20034, p. 130.
Waarbij de gevolgen door flexibilisering BV-recht eveneens voor deze situatie zou moeten gelden.
M.J.G.C. Raaijmakers, 'Reorganisaties van personenvennootschappen in het ontwerp Titel 7.13 NBW', WPNR 2003-6524, p. 252.
C.W. de Monchy, 'Nieuwe omzettingen in het vennootschapsrecht', Ondernemingsrecht 20034, p. 124-132.
Eveneens: M.J.G.C. Raaijmakers, 'Reorganisaties van personenvennootschappen in het ontwerp Titel 7.13 NBW', WPNR 2003-6524, p. 252 en C.W. de Monchy, 'Nieuwe omzettingen in het vennootschapsrecht', Ondernemingsrecht 2003-4, p. 130.
Zie in diezelfde lijn: Pres. Rb. Leeuwarden 1 juni 1994, KG 1994, 228, rechtsvormwijziging van een cooperatie W.A. in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid werd verboden zolang de bestaande aanspraken van werknemers op grond van de werkgelegenheidsgarantie niet op vergelijkbare wijze was gegarandeerd.
Kamerstukken II2003/04, 28 746, nr. 6, p. 6.
A.H.G. Wilod Versprille, `De personenvennootschap naar nieuw recht. Verkrijgen en opgeven van rechtspersoonlijkheid', .1BN 2007-62, p. 4.
Verbrugh acht de wettelijke termijn gerechtvaardigd, in: M.A. Verbrugh, Structuurwijzigingen bij kapitaalvennootschappen en de positie van schuldeisers (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2007, p. 372-373.
Uitgangspunt is en blijft dat vennoten in beginsel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap aangezien geen kapitaalbescherming voor OVR bestaat. Bij een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid bestaat een dergelijke hoofdelijke verbintenis niet aangezien voor die rechtsvorm de kapitaalbeschermende bepalingen gelden.
Een specifieke regeling is in het wetsvoorstel opgenomen met betrekking tot aansprakelijkheid voor schulden.1 Rechtsvorderingen tot nakoming van verbintenissen tegen vennoten van de openbare vennootschap of hun erfgenamen verjaren na vijf jaar na aanvang van de dag waarop de rechtsvormwijziging in het handelsregister is ingeschreven. Verjaring kan op grond van artikel 3:316 BW (en verder) worden gestuit. Aanvankelijk is aangesloten bij de regeling zoals die geldt bij een EESV.2 Voor verbintenissen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid na rechtsvormwijziging ontstaan, zullen de vroegere vennoten niet worden verbonden behoudens in het geval de derde onbekend was met de rechtsvormwijziging omdat de rechtsvormwijziging niet was ingeschreven in het handelsregister. Na rechtsvormwijziging kunnen crediteuren niet meer de afzonderlijke vennoten aanspreken maar daar staat tegenover dat er bescherming ontstaat op grond van de kapitaalbeschermingsregels van Boek 2 BW.3
De aansprakelijkheidsregeling gaat ver. Geopperd is in plaats van de verjaringstermijn een verzetrecht voor schuldeisers op te nemen zoals dat nu geldt voor juridische fusie, splitsing en kapitaalvermindering.4 Een dergelijke benadering sluit niet aan bij de systematiek van rechtsvormwijziging uit hoofde van Boek 2 BW waar voor rechtsvormwijziging in een kapitaalvennootschap geen verzet-recht en voor rechtsvormwijziging van een kapitaalvennootschap wel een verzet-recht van kracht is. Ik vind het juist dat rechtsvormwijziging van en in een OVR bij deze systematiek aansluit en geen verzetrecht geïntroduceerd wordt.
Verdedigbaar5 is dat de aard van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid voldoende bescherming biedt voor crediteuren hetgeen het verhaalsrecht op vennoten zou moeten opheffen vanaf het moment van rechtsvormwijziging. De crediteuren van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid worden immers op grond van Boek 2 BW voldoende beschermd uit hoofde van onder meer bepalingen van kapitaalbescherming6 en jaarrekeningverplichtingen.7 De positie van zaakscrediteuren verslechtert niet indien het hele vermogen van de OVR toekomt aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.8 De gelijkenis met een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid in oprichting laat zien dat ook in die gevallen de aansprakelijkheid beperkt is (en niet tot vijfjaar later voortduurt) hetgeen ook zou moeten gelden bij rechtsvormwijziging van een OVR in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.9 Deze opvatting acht ik te rigide. Crediteuren moeten rekening houden met een mogelijke rechtsvormwijziging maar hoeven niet geconfronteerd te worden met een radicaal ander regime voor wat betreft hun verhaal zonder uitlooptermijn.10 Ik acht het wenselijk dat de verjaringstermijn voortduurt voor de vennoten voor rechtsvormwijziging gedurende de wettelijke termijn van vijf jaren. Deze termijn geldt uiteraard niet voor aandeelhouders na rechtsvormwijziging in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Met de verjaringstermijn van vijf jaar wordt aangesloten bij de regeling van het EESV.
Later11 is nog een zin toegevoegd aan deze bepaling luidende:
`Wordt zulk een verbintenis eerst opeisbaar na die inschrijving, dan begint op dat tijdstip die verjaringstermijn te lopen.'
Deze aanvulling kan aanzienlijke uitbreiding van aansprakelijkheid tot gevolg hebben. Vooral bij duurovereenkomsten12 kan opeisbaarheid van een vordering pas ontstaan vele (tientallen) jaren na rechtsvormwijziging van OVR in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. De vraag kan gesteld worden of een dergelijke, niet in tijd beperkte, uitbreiding gerechtvaardigd is.
Ik ben van mening dat de periode van doorwerking van een vroegere rechtsvorm op een redelijk moment beëindigd dient te worden.13 Vanuit dat oogpunt had het de voorkeur gehad deze zin te laten vervallen en de doorwerking te beperken tot vijf jaar na inschrijving van de rechtsvormwijziging in het handelsregister. Bij rechtsvormwijziging van stichtingen is eveneens van doorwerking sprake via de vermogensklembepaling.