Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.5.4.2
III.5.4.2 De zeggenschapstoets
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460246:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De vraag wie de drijver is heeft rond de vorige eeuwwisseling veel aandacht in de literatuur gekregen. Knijff 1999; Uylenburg 1999, par. 2. Knijff 1999, par. 2; Van ’t Lam 2005a, p. 12, 54-55; Mellenbergh 2009, par. 8.2.1; ABRvS 27 maart 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB3306, AB 2002/101 en ECLI:NL:RVS:2001:AN6893, AB 2002/102, m.nt. Blomberg (Faillissement Teka).
Zie Van ’t Lam 2005a, p. 58-60, 65-66. ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3643; ABRvS 26 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW3977, AB 2006/298, m.nt. Knijff (Scheepswerf); ABRvS 1 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV0961, Milieurecht Totaal 2006/575, m.nt. Knijff; ABRvS 28 augustus 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE6935, M&R 2003/66; ABRvS 24 december 1998, ECLI:NL:RVS:1998:AL2734, JM 1999/47, m.nt. Schuiling; ABRvS 9 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP1113, JB 2004/281; en de annotatie van Knijff, onder punt 3 bij ABRvS (vz.) 13 april 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AN6353, AB 2000/241.
Zie onder meer ABRvS 25 juni 1998, ECLI:NL:RVS:1998:ZF3428 (Oud Gastel); ABRvS 16 februari 2005, zaaknummer 200401481/1, 200401481/2, Milieurecht Totaal 2005/1803; ABRvS 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2639, M&R 2020/13, m.nt. van ’t Lam. Zie met betrekking tot de eigenaar als drijver ook de kritiek van Van ’t Lam in de annotatie bij ABRvS 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1667, M&R 2015/151 (Houtwal); en in Van ’t Lam 2016.
Van ’t Lam 2005a, p. 53, 66; Knijff, Jurgens & Backes 1998, p. 32, 42-46; Uylenburg 1999, par. 2; ABRvS (vz.) 31 juli 1998, ECLI:NL:RVS:1998:AN5836, AB 1999/45, m.nt. Knijff (Givaudan) (m.n. par. 6 e.v. in de annotatie); ABRvS 26 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW3977, AB 2006/298, m.nt. Knijff (Scheepswerf); ABRvS 30 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3051; ABRvS 27 maart 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AN6893, AB 2002/102, m.nt. Blomberg (Faillissement Teka); ABRvS 23 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD0349 en ECLI:NL:RVS:2008:BD0350 (Rumeta); ABRvS 26 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2005:AU5007; ABRvS 22 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6575, Milieurecht Totaal 2012/3698 (Vulcaanhaven); ABRvS (vz.) 13 april 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AN6353, AB 2000/241, m.nt. Knijff.
Zie o.a. ABRvS 28 april 1997, ECLI:NL:RVS:1997:AN5834, AB 1999/43 (Besselsen/Beside); ABRvS 26 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW3977, AB 2006/298, m.nt. Knijff (Scheespwerf); ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3643; ABRvS 10 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0735 (Desmepol). Rb. Oost-Brabant 14 september 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:4546; ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2826, JM 2019/120, m.nt. Pieters, r.o. 3.3; ABRvS 9 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:239, r.o. 4.2. In ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3550 (Brand Zaltbommel) wordt het drijverschap gebaseerd op de formele hoedanigheid van appellant, terwijl de vermeend drijver aangeeft dat niet hij maar zijn dochter de inrichting feitelijk drijft. Het lijkt erop dat de afspraken die zijn gemaakt over verantwoordelijkheden, of iemands formele aanstelling als bestuurder of leidinggevende. Afdeling hierbij ten onrechte niet de feitelijke situatie doorslaggevend laat zijn. Zie voor een voorbeeld waarin de vermeend drijver succesvol betwist dat hij of zij de voor het drijverschap benodigde feitelijke zeggenschap over de inrichting heeft, wat ik schrijf over Chemours/Dupont onder het kopje ‘Ondergrens zeggenschapscriterium’.
Zie bijvoorbeeld ABRvS (vz.) 13 april 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AN6353, AB 2000/241, m.nt. Knijff in de annotatie onder nr. 9 en 10.
Knijff, Jurgens en Backes baseren deze en andere gezichtspunten op interviews met toezichthouders, Knijff, Jurgens & Backes 1998, p. 32 e.v. Zie in dit verband voorts ABRvS 10 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU0735 (Desmepol), r.o. 2.7.1.
Rb. Limburg 19 juli 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:6948. Andere voorbeelden waarin drijverschap tegen wil en dank werd aangenomen: Rb. Limburg 19 juli 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:6948 en ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3643.
Karapetian & Verstijlen 2020, p. 225. In dit kader verwijzen zij naar ABRvS 11 juli 1997, AB 1998/268, m.nt Jurgens (Alvat), ABRvS 9 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4703, AB 2008/132, m.nt. Jansen (Maasdriel), ABRvS 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1261, AB 2013/95, m.nt. Van Mil (Dutch Infra Tech), ABRvS 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2728, AB 2014/370, m.nt. Van Mil (Bavin) en CBb 7 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:405, JOR 2018/292, m.nt. Hiemstra (Mestboekhouding). Zie voorts Verstijlen 1996.
ABRvS 11 juli 1997, AB 1998/268, m.nt. Jurgens; M&R 1997/130, m.nt. Cup; ABRvS 9 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4703; ABRvS 24 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5036, AB 2008/132, m.nt. Jansen; Noordover 2015; Mellenbergh 2005, p. 784-787; Pommer & Van Ingen 2014; Mellenbergh 2009, par. 9.3. ‘Bijzondere zeggenschapsverhouding’ kan worden gezien als een vergelijkbaar criterium als ‘Zeggenschap’, zij het met een iets ruimere invulling. Uylenburg 1999, p. 266; en Knijff in de annotatie van ABRvS (vz.) 31 juli 1998, ECLI:NL:RVS:1998:AN5836, AB 1999/45. Meer algemeen over het overtrederschap en de aansprakelijkheid van de curator: Karapetian & Verstijlen 2020.
ABRvS 29 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3309. Vergelijkbaar, ABRvS (vz.) 19 augustus 1996, ECLI:NL:RVS:1996:AN5239, AB 1997/14, m.nt. Van Buuren.
ABRvS 26 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW3977, AB 2006/298, m.nt. Knijff (Scheepswerf).
ABRvS (vz.) 20 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AH8217, KG 2000/176 (Amcor).
Mijns inziens is ABRvS 30 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3051 bijvoorbeeld te kort door de bocht. De Afdeling onderbouwt het drijverschap van de vermeende overtreder niet. In de motivering lijken de toets voor overtrederschap, drijverschap en machtscriterium door elkaar te lopen. Dit onderscheid komt nader aan bod in par. III.8.4.
Hoe groot dat deel moet zijn, bespreek ik onder het gevalstype van deeldrijverschap, zie par. III.5.4.3 onder het kopje ‘zijgrenzen van deeldrijverschap’.
Van ’t Lam 2005a, p. 57, 128. Dat is mijns inziens juist, want de drijver die niet kan afdwingen dat de voorschriften worden nageleefd heeft geen feitelijke zeggenschap over het exploiteren van de inrichting. Ik plaats hier wel de kanttekening bij dat de drijver niet elk denkbare overtreding hoeft te kunnen voorkomen. Ook zijn situaties denkbaar waarin de drijver het niet zelfstandig in de macht heeft om een overtreding ongedaan te maken, en toch drijver is. Zie hieromtrent mijn opmerkingen over het onderscheid tussen zeggenschap, beschikkingsmacht en het machtscriterium in par. III.8.4.4.
In deze zin: ABRvS 22 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6575, Milieurecht Totaal 2012/3698 (Vulcaanhaven); ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:854.
ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3643; ABRvS 29 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3309; ABRvS 28 april 1997, ECLI:NL:RVS:1997:AN5834, AB 1999/43 (Besselen/Beside); nr. 7 in de annotatie bij ABRvS (vz.) 31 juli 1998, ECLI:NL:RVS:1998:AN5836, AB 1999/45, m.nt. Knijff.
ABRvS (vz.) 1 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:522, M&R 2017/70, m.nt. Van ’t Lam & Bruinsteen (Chemours/Dupont).
Overigens overweegt de Voorzitter dat niet voldoende gemotiveerd is dat Chemours drijver is van de Delrinfabriek, terwijl de voorzieningenrechter wel aanneemt dat Chemours vergunninghouder’ is van de fabriek, r.o. 3.2. Echter, bij de (zaaksgebonden) omgevingsvergunning zijn vergunninghouder en drijver synoniemen; zie par. III.5.3.4. Zonder de zeggenschap van Chemours zou de Delrinfabriek niet tot zelfde inrichting kunnen horen (want geen organisatorische binding) en dus ook niet onder de vergunning kunnen vallen. Zie ook het commentaar van Van ’t Lam en Bruijnsteen in M&R 2017/70 (Chemours/Dupont).
Iemand die zeggenschap heeft over het uitzetten van de verlichting op een sportveld, hoeft nog geen drijver te zijn. Op de sportinrichting zullen ongetwijfeld nog meer normen van toepassing zijn, en de zeggenschap over de naleving van deze enkele norm is niet genoeg om aangemerkt te worden deeldrijver. Zie hieromtrent wat ik schrijf over de zijgrenzen van deeldrijverschap in par. III.5.4.3.
Zie verder omtrent het onderscheid tussen het machtscriterium, beschikkingsmacht en drijverschap ook hierna par. III.8.4.3. Zie verder Michiels, Blomberg & Jurgens 2016, par. 6.3; Knijff, Jurgens & Backes 1998, p. 37-40, 75, Knijff 1999, p. 285; Zie ook de toelichting van de wetgever op de adressaat van sancties: Kamerstukken II 2005/06, 29702, 7, p. 31.
De werknemer voldoet aan het machtscriterium voor de last onder dwangsom, maar voor de oplegging van die sanctie is ook vereist dat de werknemer kan worden aangemerkt als overtreder. In deze casus kan dat voor nu in het midden blijven.
Over dit onderscheid, zie ook Knijff 1999, p. 285, onder verwijzing naar ABRvS (vz.) 18 oktober 1996, M&R 1997/5, nr. 55. 20 en nr. 7 in de annotatie bij ABRvS (vz.) 31 juli 1998, ECLI:NL:RVS:1998:AN5836, AB 1999/45, m.nt. Knijff.
Voor de hierna te bespreken deeldrijver ligt dat genuanceerder; die moet voor zijn deel van de inrichting de naleving kunnen waarborgen. Zie par. III.5.4.3.
Dit zegt natuurlijk nog niets over de aanvaarding van de verboden gedraging door de werknemer.
Zie Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 28, par. 5.6, te raadplegen op http://content.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/documents/PGS28/PGS28-2011-v1.0-vloeibare-brandstoffen-ondergrondseinstallaties.pdf.
Zie onder meer Van ’t Lam 2005a, p. 54-55, 66-68. In dit kader kan gewezen worden op een reeks uitspraken waarin niet de verhuurder maar (slechts) de huurder van het onroerend goed waarop vergunningplichtige activiteiten plaatsvinden kon worden aangemerkt als drijver. ABRvS 29 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3309; ABRvS 30 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3051; ABRvS 26 oktober 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5007 (Movi), par. 2.2.4; ABRvS 16 februari 2005, zaaknummer 200401481/1; 200401481/2, Milieurecht Totaal 2005/1803 (Van der Zijpp). Evengoed zijn er gevallen waar de verhuurder/eigenaar (al dan niet naast de huurder) geacht werd de inrichting te drijven. Zie onder meer ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2826, JM 2019/120, m.nt. Pieters, r.o. 3.3; ABRvS 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3643; ABRvS 26 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW3977, AB 2006/298, m.nt. Knijff (Scheepswerf); ABRvS 29 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3309. Door het beëindigen van het huurcontract kan ook een einde komen aan het drijverschap van de huurder; ABRvS 22 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6575, Milieurecht Totaal 2012/3698 (Vulcaanhaven) par. 2.2.2.
Welk soort zeggenschap is nodig?
Het begrip ‘drijver’ is niet door de wetgever gedefinieerd, en de rechtspraak is op dit punt casuïstisch en doorgaans kort gemotiveerd. Men gaat er in de literatuur al geruime tijd vanuit dat de (rechts)persoon die zeggenschap heeft over (de exploitatie van) de inrichting en/of over de activiteiten en het gebruik van het onroerend goed ten behoeve van het verrichten van die activiteiten, aangemerkt kan worden als drijver.1 Voor de zeggenschap over de inrichting is niet vereist dat de aangesprokene de activiteiten zelf verricht.2
Uit de jurisprudentie en literatuur volgt dat juridische zeggenschap niet voldoende3 (en ook niet altijd noodzakelijk) is om te worden aangemerkt als drijver: voor het drijverschap moet er (in ieder geval) sprake zijn van feitelijke zeggenschap over de inrichting.4 De juridische situatie kan wel een (weerlegbaar!) vermoeden opleveren voor wie de inrichting drijft.5 Hierbij kan worden gedacht aan privaatrechtelijke
Als de juridische positie van de aangesprokene geen uitsluitsel geeft over diens drijverschap, of als de juridische situatie aantoonbaar afwijkt van de feitelijke situatie,6 dan zal het bevoegd gezag (ook) op andere omstandigheden moeten wijzen om het drijverschap aan te tonen. Het bevoegd gezag kan bijvoorbeeld kijken naar wie zich presenteert als degene die het voor het zeggen heeft, wie correspondentie voert uit naam van de inrichting, uit wiens naam de activiteiten worden verricht en voor wiens lusten en lasten de inrichting wordt geëxploiteerd.7
Omdat voor drijverschap de feitelijke zeggenschap doorslaggevend is, is het zelfs mogelijk om ‘tegen wil en dank’ een inrichting drijven. Dit was het geval in een opmerkelijke rechtszaak over de eigenaren van een perceel waarop een edelmetaalrecycling werd geëxploiteerd. De eigenaren waren niet blij met de exploitanten, want die hielden zich niet aan de vergunningsvoorschriften en lieten gevaarlijke chemisch afval op het terrein slingeren. Zij hebben het bevoegd gezag herhaaldelijk verzocht om te controleren en te handhaven. Na het faillissement van het recyclebedrijf kregen de eigenaren de sleutels overhandigd van de inrichting. Met het wegvallen van zeggenschap van de exploitanten werden zij drijver van de inrichting, en daarom werd aan hen de last onder bestuursdwang geadresseerd om onder meer de gevaarlijke afvalstoffen af te voeren en zo de onrechtmatige situatie te beëindigen. De rechtbank bevestigde het drijverschap van de eigenaren, maar meende dat kostenverhaal in de zin van artikel 5:25 lid 1 Awb niet te hunner lasten behoort te komen.8
Het is ook mogelijk om (een vermoeden van) drijverschap te baseren op een melding. Een melding is bijvoorbeeld verplicht als zich een ongewoon voorval voordoet, als de inrichting wordt veranderd, of als de inrichting zal worden gedreven door een ander; en de meldplicht rust op de drijver van de inrichting.9 De melding over wie geacht wordt de inrichting te drijven is niet doorslaggevend; anders zouden de algemene regels en vergunningen de facto persoonsgebonden worden. Indien aangetoond wordt dat de feitelijke situatie afwijkt van de gemelde situatie, kan de gemelde drijver aan zijn normadressaatschap ontsnappen, of kan het bevoegd gezag een ander aanmerken als drijver dan gemeld.10 Ook kan het zijn dat er naast de gemelde drijver(s) op basis van de zeggenschapstoets nog andere drijvers aangewezen kunnen worden.
Een bijzondere situatie doet zich voor wanneer de rechtspersoon failliet gaat. De failliet verliest van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorende vermogen, en daardoor is hij niet langer drijver van de inrichting. Karapetian en Verstijlen merken daarover het volgende op:11
“Dat de curator verantwoordelijk is voor de naleving van de voor een inrichting geldende vergunning, is vaste rechtspraak en – zo menen wij – terecht. Die inrichting levert gevaren op voor het milieu, reden waarom daarvoor milieurechtelijke regels gelden, die in voorkomende gevallen worden geconcretiseerd in vergunningsvoorschriften. Die gevaren worden niet anders na de faillietverklaring, evenmin als de verhouding tussen die milieubelangen en de bij de inrichting betrokken private belangen.”
De curator wordt aangemerkt als drijver, omdat deze dan ‘in een bijzondere gezagsverhouding’ staat tot de inrichting, ongeacht de vraag of hij de inrichting feitelijk exploiteert,12 en ongeacht of hij drijver van de inrichting is.
Ondergrens zeggenschapscriterium
Met feitelijke zeggenschap over de inrichting als toets, rijst de vraag wanneer een persoon ‘belangrijk genoeg’ is binnen de inrichting, om te worden aangemerkt als drijver. Hoe lager de lat voor de benodigde zeggenschap wordt gelegd, des te groter de groep drijvers per inrichting. De lat ligt natuurlijk niet zó laag dat louter uitvoerende werknemers aangemerkt kunnen worden als drijver; daarmee zou het kwalitatieve bestanddeel van inrichtinggerelateerde normen alle betekenis verliezen. Door de adressering van de norm heeft de wetgever juist beoogd om de kring van verantwoordelijk te beperken. Maar waar ligt de grens precies?
Het is lastig om op basis van de jurisprudentie een lijn te ontwaren – als deze er al is. Soms neemt de Afdeling al genoegen met onvolledige zeggenschap. Bijvoorbeeld, een benzinepomphouder die in strijd met de vergunningsvoorschriften geen vloeistofvaste verharding als ondergrond had, en die voor het aanbrengen van de ondergrond afhankelijk was van toestemming van de verhuurder, werd (ook) zelf aangemerkt als drijver.13 Bij een andere zaak, kon een verhuurder van een kade en daarbij horende faciliteiten voor scheepsreparaties op basis van een gebruiksprotocol aangemerkt worden als drijver, ook al was verhuurder zelf niet betrokken bij de bezigheden en ook al was er op de inrichting niet op elk moment een toezichthouder namens de verhuurder aanwezig.14 In weer andere uitspraken is de Afdeling aanzienlijk strenger wat betreft de benodigde zeggenschap. Zo was een ‘managing director’ die zeggenschap heeft over de bedrijfsactiviteiten, en die zich opgeworpen heeft als de centrale persoon wiens toestemming essentieel is voor het treffen van de maatregelen binnen de inrichting, volgens de Afdeling toch geen drijver.15 Soms wordt volledig in het midden gelaten op basis waarvan wordt aangenomen dat iemand de voor het drijverschap benodigde zeggenschap heeft.16 Hoeveel zeggenschap is genoeg?
Ik ben het eens met Van’t Lam dat de zeggenschap van de drijver in ieder geval zodanig moet zijn dat hij kan afdwingen dat er binnen (een deel van17) de inrichting conform de voorschriften wordt gehandeld.18 Dit lijkt me een geschikte ondergrens van de zeggenschapstoets. De benodigde zeggenschap hangt op deze manier samen met de wettelijke opdracht die rust op de drijver: zorg dragen voor de naleving van de toepasselijke voorschriften.19 De mogelijkheid om naleving van de inrichtinggerelateerde normen te bewerkstelligen, wordt in de rechtspraak vaker in verband gebracht met het drijverschap.20 Dit gebeurde bijvoorbeeld ook in de Chemours-uitspraak.21
Chemours is eigenaar van het fabrieksterrein waarop de Delrinfabriek gevestigd is, en exploiteert zelf een andere fabriek op dat terrein.22 Dupont is exploitant van de Delrinfabriek. Chemours en Dupont hebben een ‘Site Services Agreement’ waarin de afspraken omtrent het gebruik van het terrein en gezamenlijke voorzieningen zijn opgenomen. In de Delrinfabriek is sprake van een ongewoon voorval met Formaldehyde, en op basis van art. 17.1 en 17.2 Wm is de drijver verplicht het voorval te melden en maatregelen te nemen om de schadelijke gevolgen te beperken. Het bevoegd gezag heeft Chemours op basis van het Site Services Agreement aangemerkt als drijver, Chemours weerspreekt dat ze beschikt over het voor drijverschap benodigde zeggenschap. De voorzieningenrechter oordeelt dat “zonder nadere motivering niet duidelijk is waarom uit de Site Services Agreement volgt dat Chemours reële zeggenschap heeft over de activiteiten van DuPont in de Delrinfabriek, in die zin dat Chemours het in haar macht heeft te voorkomen dat DuPont in strijd [handelt] met artikel 17.2 van de Wet milieubeheer.” [curs. TRB]
De Chemours-uitspraak illustreert dat eigenaarschap en contractuele afspraken op zichzelf (zonder nadere motivering) onvoldoende zijn voor drijverschap, en dat de zeggenschap van de drijver zodanig moet zijn dat de drijver kan afdwingen dat de activiteiten binnen de inrichting conform de voorschriften worden verricht.
Maar wat is in een concreet geval nodig om te kunnen bewerkstelligen dat een norm wordt nageleefd? De ondergrens van de zeggenschapstoets lijkt betrekkelijk vaag, maar dat is tot op zekere hoogte onvermijdelijk. Hoeveel en welk soort feitelijke zeggenschap nodig is om de naleving van een norm te bewerkstelligen hangt namelijk af van de aard van de norm, het type inrichting en andere omstandigheden van het geval. De verscheidenheid in milieunormen en inrichtingen is te groot voor een specifieke invulling van wat zeggenschap inhoudt.
Vergelijk de norm dat op sportvelden de verlichting uiterlijk om 23:00 uur moet worden uitgeschakeld,23 met de norm dat een grote stookinstallatie voor glastuinbouw moet worden uitgerust met de juiste emissiefilter om onder de toepasselijke emissiegrenswaarden te blijven.24 Het uitschakelen van de verlichting is een kwestie van een knopje omzetten; of iemand dat op gezette tijden mag doen kan het gevolg zijn van een informele taakverdeling binnen de sportvereniging.25 Maar het kunnen bewerkstelligen dat de emissienorm wordt nageleefd ligt ingewikkelder. Voor de aanschaf, het installeren en het onderhouden van de emissiefilters zal de verantwoordelijke persoon moeten kunnen beschikken over de financiële middelen van het tuinbouwbedrijf, en de persoon moet bevoegd zijn om technische wijzigen aan te brengen aan de stookinstallatie. Bovendien zal deze zeggenschap veelal voortvloeien uit een officiële aanstelling bij het tuinbouwbedrijf.
Kortom, het is niet mogelijk om specifieke dwingende sub-criteria van de zeggenschapstoets te geven die universeel toepasbaar zijn. Welk soort zeggenschap nodig is verschilt per geval en per voorschrift, voor de ondergrens zal dus steeds goed gekeken dienen te worden naar de omstandigheden van het geval.
Of de drijver het in de macht moet hebben om de naleving van álle toepasselijke voorschriften te bewerkstelligen, of alleen de normen die betrekking hebben op een deel van de inrichting, bespreek ik in paragraaf III.5.4.3.
Onderscheid zeggenschap en het machtscriterium
De ondergrens van de zeggenschapstoets zoals hierboven geformuleerd doet sterk denken aan het in paragraaf III.2.3 besproken machtscriterium voor de adressering van de last onder dwangsom. Inderdaad, het verschil is subtiel, maar de toetsen overlappen niet volledig; ze mogen daarom niet met elkaar vereenzelvigd worden.
Aan het machtscriterium van de last onder dwangsom wordt voldaan, wanneer de invloed van de betrokkene zodanig is dat hij de opgelegde last feitelijk en juridisch kan uitvoeren. De last strekt in principe tot het nemen van maatregelen waardoor de verboden toestand wordt beëindigd. Zonder deze waarborg zou de last onder dwangsom eigenlijk een verkapte boete zijn. Dat een aangesprokene het in de macht heeft een last na te komen, is weliswaar een aanwijzing dat de persoon drijver is, maar die macht is op zichzelf niet voldoende om aangemerkt te worden als drijver. In de praktijk zullen immers ook andere personen dan de drijver het in de macht hebben om in een concreet geval de last uit te voeren en de overtreding te beëindigen.26
Voorbeeld: als tijdens handhavingstoezicht wordt geconstateerd dat een apparaat binnen de emissienormen van een vergunning worden overschreden, kan het bevoegd gezag een last onder dwangsom opleggen die ertoe strekt dat de vergunning moet worden nageleefd teneinde de overtreding van de emissienormen te beëindigen. De werknemer die het apparaat bedient zou het in zijn macht hebben om het apparaat uit te schakelen en daarmee de overtreding te beëindigen. Dat maakt de werknemer echter nog geen drijver van de inrichting.27
Enkel de mogelijkheid om een overtreding te beëindigen, mag dus niet automatisch tot de conclusie leiden dat de betreffende persoon drijver is. Anders zou de drempel voor drijverschap te laag liggen, tot het punt dat personen zonder zeggenschap over de inrichting maar die toevallig de opgedragen maatregelen kunnen uitvoeren reeds drijver zijn. Daarmee zou het kwalitatieve bestanddeel van inrichtinggerelateerde milieunormen zijn betekenis verliezen.
Andersom zal de drijver doorgaans wel de benodigde zeggenschap hebben om de last uit te voeren en (daarmee) de overtreding te beëindigen. Er kunnen zich echter bijzondere omstandigheden voordoen – zoals overmacht, faillissement of rechtsopvolging – waardoor dit niet (langer) het geval is.28 De zeggenschap hoeft dus niet absoluut te zijn; dat zou een te hoge drempel voor drijverschap opleveren.
Kortom, het machtscriterium ziet op de mogelijkheid om in een concreet geval een last uit te voeren en (zo) de overtreding te beëindigen. De voor het drijverschap benodigde zeggenschap heeft een algemenere strekking. De drijver zal bij de normale gang van zaken moeten kunnen bewerkstelligen dat de voorschriften die gelden voor de inrichting nageleefd worden. De mogelijkheid om een overtreding te voorkomen of beëindigen is op zichzelf onvoldoende voor drijverschap.29
Onderscheid zeggenschapstoets en beschikkingsmacht
De zeggenschap die nodig is voor drijverschap, roept wellicht ook associaties op met de beschikkingsmacht die nodig is voor toerekening aan de functionele pleger. In beide toetsen gaat het om een bepaalde mate van feitelijke invloed. Het verschil zit erin waarop de invloed ziet. De maatstaf voor drijverschap is zoals gezegd (feitelijke) zeggenschap over (een deel van) de inrichting. Beschikkingsmacht, daarentegen, is niet gerelateerd aan de inrichting, maar aan een concrete verboden gedraging. Het draait om de vraag of de invloed van de betrokkene zodanig was dat hij de verboden gedraging kon voorkomen.
Voorbeeld: een (louter uitvoerende) werknemer kan zodanige invloed hebben op het gedrag van een stagiaire, dat de werknemer de stagiaire kan aanzetten of weerhouden van verboden gedraging, bijvoorbeeld door de stagiaire te vragen om de brandwerende deuren (die te allen tijde gesloten moeten blijven) open te zetten voor wat frisse lucht. De werknemer heeft dan weliswaar de beschikkingsmacht die nodig is voor functioneel plegerschap,30 maar alsnog kan niet gezegd worden dat hij (een deel van) de inrichting drijft. De werknemer heeft immers niet zodanige zeggenschap dat hij kan bewerkstelligen dat binnen (een groot genoeg deel van) de inrichting anderen de inrichtinggerelateerde voorschriften naleven. Daarom is de werknemer geen adressaat van de normen die rusten op de inrichting.
Enkel het (kunnen) aanzetten tot of voorkomen van een verboden gedraging, leidt logischerwijs niet automatisch tot drijverschap. Andersom is beschikkingsmacht over alle (denkbare) verboden gedragingen binnen de inrichting geen noodzakelijke voorwaarde voor het drijverschap. Dat zou ertoe leiden dat als er tegen de wil van de drijver in een verboden gedraging plaatsvindt, er kennelijk niemand is die de inrichting drijft (want dan was er wel conform de voorschriften gehandeld). Gelet op het zaaksgebonden karakter van inrichtinggerelateerde voorschriften, moet er altijd een persoon aanwijsbaar zijn die zeggenschap heeft over de exploitatie van de inrichting. De feitelijke zeggenschap over de inrichting die nodig is om aangemerkt te worden als drijverschap, vergt niet dat de drijver altijd ultieme controle heeft over al hetgeen zich afspeelt binnen de inrichting.
Voorbeeld: in de vergunning voor een inrichting waar een ondergrondse tankinstallatie met een vloeibare brandstof aanwezig is, is roken, open vuur en de aanwezigheid van andere ontstekingsbronnen verboden.31 De adressaat van dit voorschrift is de drijver van de inrichting. Als een losbandige werknemer van de inrichting ondanks eerdere berispingen een sigaret opsteekt en niemand – ook de drijver niet – hem hiervan had kunnen weerhouden, dan is het natuurlijk niet zo dat de inrichting daardoor plotsklap geen drijver meer heeft. De drijver blijft ook drijver na incidentele verboden gedragingen.
De drijver uit het sigarettenvoorbeeld hoeft trouwens geen bestuurlijke sanctie te vrezen: de drijver is adressaat van het geschonden voorschrift, maar hij kan niet worden aangemerkt als overtreder. De overtreding is immers niet door hem zelf gepleegd (fysiek plegerschap) en kan vanwege een gebrek aan beschikkingsmacht ook niet aan hem worden toegerekend (functioneel plegerschap), ook heeft hij de verboden gedraging niet in nauwe en bewuste samenwerking met de losbandige roker gepleegd (medeplegen), en ook had de drijver geen (voorwaardelijk) opzet op de verboden gedraging waardoor het vergunningsvoorschrift geschonden is (waardoor feitelijk leidinggeven ook afvalt). Het overtredersbegrip en de verschillende overtrederschapsvormen worden uitgebreid besproken in paragraaf III.4 en III.6.
Leidinggevenden als drijvers
In het kader van dit onderzoek rijst de vraag of – en zo ja, welke – natuurlijke personen met een leidinggevende functie de voor drijverschap benodigde zeggenschap hebben, in die zin dat ze kunnen afdwingen dat de milieurelevante activiteiten binnen de inrichting conform de voorschriften worden verricht. Dat leidinggevenden kunnen worden aangemerkt als drijver lijdt geen twijfel; er zijn in deze paragraaf immers verschillende uitspraken de revue gepasseerd die dat bevestigen. Maar op de vraag welke leidinggevenden wél voldoende zeggenschap hebben, en welke niet, is geen algemeen antwoord te geven: het hangt af van de omstandigheden van het geval.
Dat heeft verschillende redenen. Allereerst is het niet mogelijk om een typologie te geven van leidinggevenden die in aanmerking komen voor drijverschap, omdat de invulling van de verschillende ideaaltypen sterk zullen verschillen per bedrijf. Oftewel, de bestuurder van een agrarisch familiebedrijf is niet te vergelijken met de bestuurder van een holding in een internationaal concern. De ene organisatie is de andere niet. Daarom is het niet mogelijk om in zijn algemeenheid te zeggen dat – bijvoorbeeld – een statutaire bestuurder wél en een afdelingsleider niét voldoende zeggenschap voor drijverschap heeft.
Bovendien zou een dergelijke typologie niet passen bij de feitelijke insteek van de zeggenschapstoets. De formele positie van de leidinggevende is immers niet doorslaggevend: (in theorie) zou zelfs een werknemer of een buitenstaander een inrichting kunnen drijven. Andersom is denkbaar dat een persoon wiens formele positie doet vermoeden dat er sprake is van zeggenschap – bijvoorbeeld de eigenaar van het onroerend goed waar de inrichting geëxploiteerd wordt – zelf niet feitelijk betrokken is bij (noch zeggenschap heeft over) de inrichting.32 Drijverschap kan daarom niet met een bepaalde hoedanigheid worden vereenzelvigd.
Kortom, gelet op de strekking van de zeggenschapstoets en de voorbeelden uit de bestudeerde jurisprudentie kan worden geconcludeerd dat natuurlijke personen met een leidinggevende functie kunnen worden aangemerkt als drijver van de inrichting. Met betrekking tot de vraag welke leidinggevenden wel en welke niet- een inrichting drijven is geen algemeen antwoord mogelijk: de concrete omstandigheden van het geval zijn leidend. Het enige wat ik kan doen om meer houvast te geven, is de zeggenschapstoets zo helder en concreet mogelijk in kaart brengen. Hiervoor stond ik stil bij de ondergrens van de zeggenschapstoets, deze is op zich niet zo ingewikkeld. Het wordt echter complexer wanneer er meerdere personen binnen de inrichting aan de zeggenschapstoets voldoen. Daar ga ik hierna op in.