Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.4.2
14.4.2 Zelfdefinitie door de erkenning van het statuut
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454033:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173, m.nt. Snijders (Kruis v CGK ’s-Hertogenbosch), r.o. 3.2.
Zie ook Van der Ploeg 2004, p. 159.
HR 20 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1846, NJ 1996, 330, m.nt. E.A. Alkema.
Kamerstukken II 1986/87, 19908, nr. 3, p. 10 en 21.
Het wetboek van kerkelijk recht van de katholieke kerk. Het katholieke kerkrecht (canoniek recht) vormt het statuut van de katholieke kerk.
Rb. Amsterdam 28 augustus, ECLI:NL:RBAMS:2013:5429; JOR 2013/305, m.nt. T. van Kooten. Het hof bekrachtigde dit vonnis. Zie Gerechtshof Amsterdam 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3572 (Bisdom Haarlem v Stichting Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis c.s.). Zie hierover uitgebreid Oldenhuis 2015.
Rb. Amsterdam 28 augustus, ECLI:NL:RBAMS:2013:5429, r.o. 4.5.
Rb. Utrecht 14 april 2005, ECLI:NL:RBUTR:2005:AT3847.
In de overige Santo Daime-zaken lijkt de rechter uitsluitend een subjectiverende kwalificatie toe te passen. De opvattingen van de aanhangers van de kerk dat het gebruik van de ayahuasca-thee onderdeel uitmaakt van de liturgie wordt dan door de rechter aangenomen. Er is één uitzondering, in de zaak voor de Rb. Noord-Holland gaat de rechter uit van een autonome kwalificatiewijze omdat hij daarin stelt dat de Santo Daime kerk een officiële kerk is en dat om die reden het gebruik van de ayahuasca-thee een godsdienstige uiting is. Deze kwalificatie is autonoom omdat de rechter niet toelicht op grond waarvan hij tot de kwalificatie komt dat Santo Daime een officiële kerk is. Er zijn immers geen objectieve maatstaven die bepalen wanneer een kerk officieel is.
Naar aanleiding van o.a. de inbeslagname van 10 jerrycans ayahuasca-thee procedeerde de Santo Daime kerk ook voor het EHRM. Het EHRM verklaarde de klacht in 2014 echter niet-ontvankelijk wegens ‘kennelijke ongegrondheid’ (art. 34 lid 3a EVRM). Het EHRM is net als de Nederlandse rechters bereid te aanvaarden dat het rituele gebruik van ayahuasca-thee moet worden gekwalificeerd als de praxis van een godsdienst: het is ‘prepared to accept’ dat het ontzeggen van het bezit van ayahuasca in verband met het rituele gebruik daarvan een beperking vormt van de godsdienstvrijheid. Het EHRM laat in zijn uitspraak niet blijken waar deze bereidheid vandaan komt. Of het EHRM is overtuigd door het relaas van de vertegenwoordiger van de Santo Daime Kerk of door of opvattingen van anderen wordt niet duidelijk. We kunnen deze kwalificatie dan ook niet zien als een subjectiverende of objectiverende. Mogelijk dat het EHRM op grond van een eigen autonome zienswijze tot deze kwalificatie is gekomen. Het EHRM overweegt ten aanzien van de rechtmatigheid van de beperking dat deze conform de beperkingssystematiek van art. 9 EVRM heeft plaatsgevonden.
Zie 2.2.4.
Zie www.rokerskerk.nl.
Zie corr. Gent 30 oktober 2012, onuitgegeven. Hierover Vrielink 2012, p. 1-2.
Zie ook 2.2.4.
kerkvanhetvliegendspaghettimonster.nl.
Een zaak die genoemd kan worden waarin de rechter zonder meer het statuut volgt is het arrest Kruis. In dit arrest liet de Hoge Raad het oordeel van de rechtbank in stand die op basis van het statuut tot de slotsom kwam dat de verhouding tussen ds. Kruis en de Christelijk Gereformeerde Kerk civielrechtelijk geen arbeidsovereenkomst is maar een rechtsbetrekking van eigen aard. De rechtbank overwoog dat met name het gegeven:
‘(…) dat ds. Kruis als predikant voor het leven was benoemd en geacht werd tucht uit te oefenen over zijn gemeente die ingeval van ongehoorzaamheid geen zelfstandige bevoegdheid had tot opzegging van de rechtsverhouding’1
in de weg staat aan het aannemen van een arbeidsovereenkomst. Onder bepaalde omstandigheden kan de arbeidsverhouding tussen een religieuze voorganger en de religieuze gemeenschap waartoe hij behoort geen civielrechtelijke overeenkomst zijn. De authenticiteit van een dergelijke overeenkomst vloeit voort uit het religieuze karakter van deze overeenkomst. De redenering is dan dat een voorganger zijn werkzaamheden niet verricht vanwege het loon of de tegenprestatie maar omdat hij of zij zich geroepen voelt om ‘het woord te bedienen’.2 Een dergelijke arbeidsverhouding zou dan vooral moeten worden gezien als een religieuze roeping.
Ook in het arrest Vrouwelijke diaken3 volgt de rechter zonder meer het statuut. In dit arrest werd het niet toelaten van een vrouw tot de opleiding van diaken door de Hoge Raad niet in strijd geacht met artikel 5 lid 3 WGB (voorloper van artikel 5 lid 3 AWGB) en artikel 2 lid 2 van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 (voorloper van artikel 4 lid 2 van de Kaderrichtlijn). De Hoge Raad bekrachtigt het arrest van het hof en overweegt daarbij:
‘(…) dat de vrijheid om het geestelijk ambt slechts open te stellen voor een van beide geslachten (de kan-bepaling van artikel 5 lid 3 WGB) voorbehouden is aan de desbetreffende kerkgenootschappen. De “aard of voorwaarden voor de uitoefening” als bedoeld in artikel 5 lid 3 dienen zo opgevat te worden, dat de vrijheid van godsdienst en de daarmee samenhangende vrijheid van inrichting zo zwaar wegen, dat het aan degene die een beroepsopleiding voor een geestelijk ambt in stand houdt, krachtens de bewoordingen van de WGB vrijstaat onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen op grond van zijn levensbeschouwing.’
Kerken mogen uitzonderingen maken op bepaalde normen van gelijke behandeling vanwege hun inrichtingsvrijheid.4 Om die reden zijn er in de gelijkebehandelingswetgeving voor onder andere kerken uitzonderingen opgenomen op het gebod van gelijke behandeling. We kunnen het maken van onderscheid door kerken in sommige gevallen duiden als een godsdienstige handeling. Zo kon de vrouw in bovengenoemde arrest geen toegang krijgen tot de opleiding tot diaken vanwege de godsdienstige voorschriften van de katholieke kerk die bepalen dat een vrouw geen diaken kan worden. In canon 1024 van de Codex Iuris Canonici5 staat namelijk: ‘Alleen een gedoopte man ontvangt geldig de heilige wijding.’ De kerk deed hier een beroep op haar statuut, in het geval van de katholieke kerk op het canonieke recht.
Verder kan het vonnis van de Rechtbank Amsterdam over het Maagdenhuis genoemd worden als zaak waarin het statuut door de rechter als uitgangspunt werd genomen. Het betrof hier een geschil tussen het Bisdom Haarlem en het Maagdenhuis, een voormalig weeshuis dat zich vanaf 1970 ontpopte als steunfonds voor maatschappelijke projecten.6 Het Bisdom Haarlem was van mening dat het Maagdenhuis op grond van de statuten een zelfstandig onderdeel was en dat de bisschop daarom onder andere de bevoegdheid had om de bestuur van het Maagdenhuis te benoemen. Het bestuur van het Maagdenhuis betoogde daarentegen dat de kerk zich in meer dan vier eeuwen niet met de samenstelling van het bestuur van de stichting had bemoeid en dat om die reden de stichting niet meer gebonden was aan het statuut. In dit conflict volgde de rechtbank het bisdom en kwalificeerde het Maagdenhuis als een zelfstandig onderdeel van het R-K kerkgenootschap. Ze verwees daarbij naar de statuten waarin de stichting als een instelling van de R-K kerk werd aangeduid. Toch trok het bisdom niet helemaal aan het langste eind. Op basis van de considerans (van de statuten) legde de rechtbank de statuten zo uit dat de rol van de bisschop bij de benoeming van bestuursleden zeer gering is. Slechts in het geval van wanbeleid zou de bisschop de bevoegdheid hebben om bestuursleden te ontslaan. Aangezien dit niet het geval was kon de bisschop volgens de rechtbank niet van zijn bevoegdheden gebruik maken.7 Deze uitspraak laat zien dat de rechter de bevoegdheid van de bisschop erkent als een uiting of gedraging die beheerst wordt door het kerkrecht en is terug te leiden tot de religieuze autonomie van het kerkgenootschap. Zoals blijkt betekent dit niet dat de kerk automatisch gelijk krijgt. De rechter nam in dit geval de taak op zich om de het statuut op de juiste wijze uit te leggen.
Ten slotte kan gewezen worden op een uitspraak van de Rechtbank Utrecht waarin het ging om de ontbinding van een bewonersovereenkomst. Er was in deze zaak sprake van een Zusterorde, die een gast na bijna 7 jaar verblijf vroeg de communiteit te verlaten wegens verstoring van de rust en sereniteit. De gast weigerde dit verzoek in te willigen en voor de rechter schermde zij met het argument dat er sprake was van een huurovereenkomst. De rechtbank oordeelde echter dat hiervan geen sprake was en dat van de zusters niet kan worden verlangd dat zij hun gastvrijheid zouden continueren. Er zou volgens de rechtbank sprake zijn geweest van een overeenkomst van geheel eigen aard met als doel het gezamenlijk beleven van de spiritualiteit. De rechtbank stelde dat het belang van de leden in rust en sereniteit in de communiteit in dit geval prevaleert boven de continuering van het verblijf van de gast in de gemeenschap. Op grond daarvan oordeelde de rechtbank dat de zusters op goede gronden gebruik hebben gemaakt van de hun toekomende bevoegdheid de overeenkomst te beëindigen. De rechtbank duidde de overeenkomst aan de hand van de kerkelijke regels van de kloosterorde.8
In tegenstelling tot de voorgaande uitspraken werd door de rechter in de Santo Daime-zaak uit 2001 geen genoegen genomen met alleen het statuut. De rechter oordeelde op basis van ‘de deskundigenrapporten en de statuten’ dat het gebruik van thee met een hallucinerend effect (ayahuasca-thee) in de erediensten van de Santo Daime kerk valt binnen de bescherming van de godsdienstvrijheid van het kerkgenootschap. De rechter overwoog:
‘(…) de Amsterdamse kerk CEFLU Cristi-Céu da Santa Maria […] moet worden beschouwd als kerkgenootschap. De aangehangen leer moet worden aangemerkt als een geloofsovertuiging en het gebruik van de thee ayahuasca, ofwel de Daime, moet, als het belangrijkste sacrament binnen de erediensten van de Santo Daime kerk, worden beschouwd als een essentieel onderdeel van de religieuze beleving van de gelovigen.’
Geconcludeerd kan worden dat de rechter zowel een objectiverende als een subjectiverende kwalificatiewijze hanteerde.9 Het gebruik van deskundigenrapporten duidt op een objectiverende uitleg van de rituelen van de Santo Daime kerk. Het raadplegen van de statuten duidt op een subjectiverende uitleg.
Het duiden van uitingen en gedragingen door de wetgever en rechter op basis van de statuten van kerkgenootschappen of religieuze gemeenschappen past bij een communautaristisch perspectief. Men aanvaardt dan dat kerkgenootschappen of religieuze gemeenschappen tot op zekere hoogte de autonomie hebben om zelf uitingen of gedragingen te definiëren als religieus of als voortbrengsel van hun religieuze identiteit. Als deze zelfdefinitie wordt aanvaard is er sprake van een subjectiverende kwalificatiewijze. In de hierboven besproken zaken lijkt dit het uitgangspunt te zijn. In de Santo-Daimezaak uit 2001 werd een meer subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst op basis van de statuten tevens ondersteund met een meer objectieve uitleg van het begrip godsdienst.
De vrijheid die de Santo Daime-kerk10 op basis van zijn statuut claimt is uitzonderlijk. Er zijn voorbeelden te bedenken van kerkelijke rituelen die in een nog sterkere mate een exotisch karakter dragen. De rechtsorde loopt bij dergelijke exotische rituelen het gevaar voor de gek te worden gehouden. Het religieuze karakter kan bedoeld zijn als truc (zoals evident bij de Kloosterorde van Sint Walburga)11 om regelgeving te omzeilen. Zo bestaat in Nederland een zogenaamde ‘Rokerskerk’. Door zich voor te doen als kerkgenootschap (met statuut en al) proberen deze lieden onder het horeca-rookverbod uit te komen.12 In Nederland heeft dit nog niet geleid tot een rechtszaak. In België wel. Daar bepaalde de Gentse rechtbank ten aanzien van een eigenaar die zijn café bestempelt als een ‘tempel’ en zich zodoende beriep op de godsdienstvrijheid dat dit verweer getuigde van ‘arrogantie en misprijzen’. In de zienswijze van de rechtbank moet de caféhouder zich net als iedereen houden aan regels ‘die moeten worden nageleefd in het belang van eenieder’.13 Uiteraard kan ook gedacht worden aan de ‘kerk van het Vliegend Spaghettimonster’.14 Aanhangers van dit kerkgenootschap geloven dat God een vliegend spaghettimonster is en beschouwen het vergiet als een heilig object en het dragen ervan als een godsdienstige gedraging.15