De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/4.7.1:4.7.1 Verdelingsperikelen
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/4.7.1
4.7.1 Verdelingsperikelen
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS387065:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Perrick 3-V* 2011/12.
Vgl. Lammers, GS Vermogensrecht, art. 3:191 BW, aant. 7 (online, laatst bijgewerkt op 18 december 2013). Zelfs als de bijzondere gemeenschap gericht is op vereffening kan de aard van de ontbonden VOF zich tegen beschikking verzetten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is mogelijk dat de deelgenoten vergeten om bepaalde goederen te verdelen. In dat geval blijven die goederen in gemeenschap. De vraag rijst of sprake blijft van een bijzondere gemeenschap die afgescheiden is van de overige vermogens van de deelgenoten. Art. 3:189 lid 2 BW lijkt deze vraag bevestigend te beantwoorden, omdat dit artikel geen uitzonderingen maakt op de regel dat de bepalingen over bijzondere gemeenschap van toepassing zijn op de gemeenschap van de ontbonden VOF. Ik meen dan ook dat de vennootschappelijke goederen die bestemd zijn ter realisering van het doel van de VOF hun bijzondere bestemming in beginsel behouden (en dus zijn afgescheiden van privévermogens en doelgebonden) als dat zo is afgesproken. Het enkele tijdsverloop brengt hierin in beginsel geen verandering. De deelgenoten en hun rechtverkrijgenden blijven gebonden aan beheersregels (art. 3:168 lid 4 BW) ongeacht of zij de regeling kenden of behoorden te kennen.1 Dit brengt onder andere met zich dat de voortzettende vennoten de onverdeelde voorraad kunnen verkopen. Voor andere handelingen is echter de medewerking van alle deelgenoten vereist. De niet-verdeelde goederen blijven voor verdeling vatbaar.
Als de deelgenoten later alsnog tot verdeling willen overgaan, maar een van de deelgenoten kan (bijvoorbeeld wegens faillissement) of wil (bijvoorbeeld de erfgenamen van de overleden gewezen vennoot) niet meewerken, dan ontstaat een probleem. Er is dan immers medewerking van de curator respectievelijk de erfgenamen nodig, op straffe van nietigheid (art. 3:195 lid 1 BW). Overigens kan de curator niet beschikken over aandelen in (afzonderlijke goederen van) de gemeenschap als de overblijvende vennoten de VOF/onderneming voortzetten, omdat dan uit hun rechtsverhouding beschikkingsonbevoegdheid voortvloeit en de aard van de ontbonden VOF zich tegen beschikking verzet (art. 3:191 BW).2
Wel kan de curator invloed uitoefenen op de verdeling op grond van art. 3:177 lid 2 BW door het vestigen van een recht van pand of hypotheek op het aandeel van de failliet in een afzonderlijk goed (art. 3:190 lid 2 BW). Als de deelgenoten er niet uit komen, dan kunnen zij bij de rechter verdeling van de gemeenschap vorderen (art. 3:185 BW), die de goederen bijvoorbeeld kan toedelen aan de voortzettende vennoten en hen kan veroordelen om daarvoor een vergoeding aan de (erfgenaam of curator van de) uittreder te betalen.
Deelgenoten kunnen na ontbinding van de VOF ook afspreken om goederen in gemeenschap te houden. In dat geval bestaat mijns inziens geen rechtvaardiging meer voor het voortbestaan van de bijzondere vennootschappelijke gemeenschap, maar is sprake van een eenvoudige gemeenschap of bijvoorbeeld van een huwelijksgemeenschap.
Enkele maatregelen die de vennoten kunnen treffen om deze problemen te voorkomen of te beperken, zijn het over en weer verlenen van een onherroepelijke volmacht tot verdeling en levering, het overeenkomen van vermogensbedingen en het inbrengen onder voorwaarde. Ik bespreek (het nut van) deze opties hierna.