De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/4.7.3:4.7.3 Overdrachtsperikelen
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/4.7.3
4.7.3 Overdrachtsperikelen
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384615:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 625-626.
HR 28 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG0973, NJ 2009/145.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de voortzettende vennoten de uittreder toestemming hebben verleend om zijn aandeel over te dragen aan zijn opvolger, rijst de vraag of de overdracht geslaagd is als hij enkele aandelen in goederen ‘vergeet’. De toestemming zag immers op overdracht van een aandeel in de gemeenschap in de zin van art. 3:191 BW en niet op overdracht van aandelen in afzonderlijke goederen in de zin van art. 3:190 BW. In paragraaf 2.4 van hoofdstuk 3 heb ik al verdedigd dat de vraag of een aandeel in de gehele gemeenschap is overgedragen moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval en dat van een aandeel in de gemeenschap sprake zou zijn als de wel overgedragen aandelen samen een essentieel bedrijfsonderdeel/de hoofdbestanddelen1 van de gemeenschap vormen. De vraag kan echter ook om andere redenen bevestigend worden beantwoord. Ten eerste is verdedigbaar dat de toestemming al in het meewerken aan de opvolging ligt besloten; het geven van toestemming is immers niet meer dan het accorderen van de overdracht. Ziet men dit anders, dan kan men ten tweede stellen dat de deelgenoten die toestemming hadden moeten geven misbruik maken van hun recht als zij de overdracht niet jegens zichzelf laten werken. Ik gaf in hoofdstuk 3 immers al aan dat het toestemmingsvereiste slechts de deelgenoten beschermt: zonder de vereiste toestemming kan wél rechtsgeldig worden overgedragen, maar de overdracht werkt niet jegens degene die toestemming had moeten geven zolang de toestemming niet is verleend. Ten derde zou bij ontkennende beantwoording van de vraag het verbod van art. 3:190 BW verder strekken dan zijn ratio verlangt, hetgeen volgens de Hoge Raad niet toegelaten moet worden.2 Alleen onder die specifieke omstandigheden waarbij bescherming van de overige deelgenoten gewenst is, bijvoorbeeld als de uittreder doelbewust een aanzienlijk bestanddeel niet overdraagt, zouden zij zich moeten kunnen beroepen op art. 3:190 BW. Ook dan heeft de overdracht overigens alleen jegens de overige deelgenoten geen werking.
Het voorgaande neemt niet weg dat er een probleem ontstaat als de uittreder niet al zijn aandelen heeft overgedragen en bij ontdekking daarvan niet kan of wil meewerken aan overdracht. Het is verstandig om in elk geval af te spreken dat de uittreder een onherroepelijke volmacht tot levering afgeeft.