Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/1.1
1.1 Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS487376:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen 1948-1949, 884, nr. 2.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen 1948-1949, 884, nr. 5.
De Stichting liet de minister in november 1956 (!) weten dat zij er niet in was geslaagd het gevraagde advies tot stand te brengen.
Van Campen 1945, p. 112 e.v.
Romme 1946, p. 65 e.v.
Zeylemaker 1946, p. 661 e.v.
De Gaay Fortman 1936, p. 69 e.v.
Van der Grinten 1947, p. 218.
Offerhaus 1946.
Valkhoff 1947.
Okma 1946.
Houwing 1950, p. 16-18.
Haardt 1950, p. 74-75.
Deze bezwaren betreffen onder andere de vraag wat in algemene zin de rechtvaardiging is dat de factor arbeid en de factor kapitaal gelijkgerechtigd moeten zijn. Meer specifiek wierpen zij de vraag op of medezeggenschap van werknemers niet eerst en vooral, of misschien zelfs wel uitsluitend, gerechtvaardigd is bij beslissingen op sociaal terrein en bij beslissingen van technische of economische aard waarmee het werk en de positie van de werknemers in de onderneming rechtstreeks gemoeid is, en of het wenselijk is dat medezeggenschap van werknemers, bijvoorbeeld indien de vennootschap meerdere ondernemingen in stand houdt, verder reikt dan de onderneming waarin zij werkzaam zijn.
Wet van 6 mei 1971, Stb. 1971, 289. Behoudens enkele onderdelen in werking getreden op 1 juli 1971.
Wet van 10 september 1970, Stb. 1970, 411, in werking getreden op 1 januari 1971.
Memorie van antwoord bij het wetsvoorstel tot invoering van het structuurregime, Kamerstukken II 1970-1971, 10 751, nr. 10, p. 2.
Wet van 28 januari 1971, Stb. 1971, 54, in werking getreden op 1 april 1971.
Op 29 mei 1948 vroeg de Minister van Justitie, op aandringen van de Tweede Kamer, de Stichting van de Arbeid een advies uit te brengen over de wenselijkheid van herziening van het vennootschapsrecht met als doel de factor arbeid medezeggenschap in de onderneming te geven. Nog geen vijf weken later diende de Regering bij de Tweede Kamer een ontwerp van Wet houdende regelen omtrent ondernemingsraden1 in, waarvan de betrokken ministers in de Memorie van Antwoord2 te kennen gaven dat zij hadden gemeend dat te moeten baseren op het huidige vennootschapsrecht. De regering wilde het kort voordien aan de Stichting van de Arbeid gevraagde advies klaarblijkelijk niet afwachten. Achteraf kan men vast stellen dat de regering een vooruitziende blik gehad moet hebben: ten gevolge van interne verdeeldheid in de Stichting is het advies er namelijk nooit gekomen.3
Dit merkwaardige dubbele initiatief weerspiegelt de destijds heersende opvattingen over de vraag op welke wijze werknemers medezeggenschap toegekend zou moeten worden. Daarbij zijn in grote lijnen twee stromingen te onderscheiden. Volgens de ene stroming zou medezeggenschap van werknemers primair gestalte moeten krijgen in een vorm van zeggenschap in de rechtspersoon die de onderneming in stand houdt. Deze stroming herkent men in de adviesaanvrage aan de Stichting van de Arbeid. Aanhangers van deze stroming waren onder andere Van Campen,4 Romme5 en Zeylemaker.6 Overigens dachten zij verschillend over de vraag of een nieuwe rechtsfiguur in het leven geroepen zou moeten worden om de medezeggenschap vorm te geven. De andere stroming vond juist dat de onderneming aangrijpingspunt voor medezeggenschap zou moeten zijn. Te noemen zijn in dit verband De Gaay Fortman,7 Van der Grinten,8 Offerhaus,9 Valkhoff,10 Okma11 en, uit iets later jaren, Houwing12 en Haardt.13 De laatste twee brachten in 1950 naast praktische bezwaren ook een aantal principiële bezwaren tegen medezeggenschap in de rechtspersoon naar voren.14
De wetgever nam in 1950 met de Wet op de ondernemingsraden de onderneming als aanknopingspunt voor uitoefening van medezeggenschap. Met de invoering van het structuurregime bij grote vennootschappen15 en de wijziging van het enquêterecht16 in 1971 verkreeg de factor arbeid echter alsnog een vorm van indirecte medezeggenschap via de structuur van de (grote) naamloze en besloten vennootschap. Toekenning van medezeggenschap in de rechtspersoon was daarbij niet een doel op zich. Het ging er vooral om via de vennootschap de medezeggenschap van werknemers te vergroten binnen de onderneming waar zij werkzaam waren.17 Men spreekt dan ook wel van indirecte medezeggenschap. In de vorm van een ingrijpende herziening van de Wet op de ondernemingsraden18 ging deze invoering in tijd min of meer gepaard met een uitbreiding van de rechtstreekse medezeggenschap in de onderneming. Het uitgangspunt medezeggenschap primair vorm te geven door middel van een wet die de onderneming als aanknopingspunt nam, bleef onaangetast, en is dat tot op de dag van vandaag gebleven.