Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/9.1.1.2
9.1.1.2 Onderzoek naar zittingsgedrag van rechters
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS369133:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor het onderzoek van Van der Linden e.a. (2009) is hetzelfde databestand gebruikt als voor het empirisch onderzoek dat in de hoofdstukken 3 tot en met 7 van dit boek staat beschreven. De analyses voor het onderzoek van Van der Linden e.a. (2009) zijn geheel uitgevoerd door Frank van Tulder, één van de auteurs van die publicatie.
Technisch gesproken is er sprake van multivariate regressie-analyse. Daar waar het gaat om een afhankelijke variabele in wel/niet termen (bijvoorbeeld wel/geen schikking bereikt) is gebruik gemaakt van logistische regressie-analyse.
Hierna zal blijken dat bij de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch de kans op een dwangschikking ook groter is dan bij de Rechtbank Utrecht.
Dit heeft mogelijk een verband met de (eveneens) hogere kans op een ervaren dwangschikking bij de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch dan bij de Rechtbank Utrecht.
Hierbij lijkt de uitkomst van de procedure een rol te spelen. Immers, in de zaken waarbij men de uitkomst al weet (schikking) is de ervaren rechtvaardigheid minder dan in de zaken waarbij men de uitkomst nog niet weet. De uitkomst van de procedure beïnvloedt hier dus blijkbaar (in enige mate) de visie op de procedure.
Dit resultaat lijkt in lijn met de bevindingen van Eshuis (2009) — beschreven in paragraaf 1.3 dat de ervaren procedurele (en distributieve) rechtvaardigheid hoger is bij vonnissen dan bij schikkingen
Door Van der Linden e.a. (2009) is onderzocht in welke mate de gedragingen van rechters tijdens de comparitie na antwoord van invloed zijn op (1) het tot stand komen van een schikking die partijen en advocaten niet als een dwangschikking ervaren en (2) het realiseren van een positief oordeel van partijen en advocaten over de ervaren (procedurele, interpersoonlijke en informatieve) rechtvaardigheid.1 Het ligt voor de hand, dat deze twee resultaten niet alleen bepaald worden door het gedrag van de rechter, maar ook door de kenmerken van de zaak, de persoon van de rechter en de gerechtelijke context. Daarom zijn ook deze aspecten meegenomen in de uitgevoerde analyse (box 33).
Box 33: De variabelen die betrekking hebben op de kenmerken van de zaak, de persoon van de rechter en de gerechtelijke context uit het databestand (voor zover meegenomen in de analyses)
Kenmerken van de zaak:
- de mate waarin de standpunten van partijen van elkaar verwijderd zijn;
- de mate waarin partijen zich cooperatief opstellen;
- de mate waarin advocaten zich cooperatief opstellen;
- de partijsamenstelling (twee natuurlijke personen of een natuurlijke persoon tegenover een rechtspersoon);
- de verwachting van de rechter over het tot stand komen van een schikking; het (al dan niet) doen van een verzoek van partijen aan de rechter om hen een voorlopig oordeel te geven.
Persoon van de rechter:
- het geslacht;
- de juridische deskundigheid van de rechter;
- de proceservaring van de rechter;
- de taakopvatting van de rechter ten aanzien van het beproeven van een schikking;
- de perceptie van de rechter van zijn eigen onderhandelingsvaardigheden.
Gerechtelijke context:
- de rechtbank waar de zaak diende.
In de verschillende statistische analyses, die zijn uitgevoerd, wordt gelijktijdig het effect van meerdere variabelen op het resultaat geschat.2 De resultaten, die ik hieronder bespreek, kunnen beschouwd worden als suggesties voor een goede (en een minder goede) zittingsaanpak van rechters.
Tot stand komen van een (dwang)schikking
Men kan van een aantal gedragingen veronderstellen dat ze van invloed zijn op het al dan niet bereiken van een (dwang)schikking (box 34). De analyses van Van der Linden e.a. (2009) wijzen uit, dat de kans op een schikking groter is (1) als de rechter een concreet bedrag of een bandbreedte van bedragen noemt die hij redelijk vindt voor een schikking en (2) als het aantal samenvattingen dat de rechter geeft tijdens de inlichtingenfase groter is. Beide gedragingen blijken ruwweg van even groot belang ter verklaring van de kans op een schikking. Blijkbaar staan partijen pas echt open om de schikkingsmogelijkheden met de andere partij te verkennen als zij er gerust op zijn dat de rechter begrepen heeft waar de zaak voor hen om draait, maar is het ook belangrijk voor hen om te weten in welke richting de rechter zelf denkt.
Box 34: De gedragingen van de rechter die zijn meegenomen in de analyses van ‘schikking’ en ‘dwangschikking’
- Het bespreken van de voordelen van een schikking.
- Het geven van een voorlopig oordeel tijdens de zitting. Dit is onderverdeeld in oordelen over (1) bewijslastverdeling, (2) concrete schikkingsbedragen of bandbreedte van bedragen, (3) juridische stellingen of weren van partijen of het gedeeltelijk toe- of afwijzen van vorderingen (beperkt voorlopig oordeel) en/of (4) het toe- of afwijzen van de vordering in zijn totaliteit (vergaand voorlopig oordeel).
- Waarschuwen voor gevolgen van doorprocederen wat betreft tijd, belasting, kosten en/ of toekomstige verhouding.
- Het inwinnen van informatie door de rechter in termen van: Willen partijen iets vertellen over hun schikkingsonderhandelingen? Waarom is een schikkingsvoorstel niet geaccepteerd? Willen partijen nog dooronderhandelen?
- Het aangeven door de rechter hoe een redelijke schikking er volgens hem uitziet. Dit kan hij doen door partijen te informeren hoe vergelijkbare zaken zijn geschikt, zelf een schikkingsvoorstel te doen, één van de partijen te adviseren het schikkingsvoorstel van de ander te accepteren, één van de partijen te zeggen dat het doen van concessies verstandig zou zijn en/of partijen te adviseren het verschil tussen beide schikkingsvoorstellen te delen.
- Het aantal samenvattingen door de rechter van hetgeen dat partijen en advocaten tijdens de inlichtingenfase naar voren brengen.
- De spreektijd die de rechter tijdens de inlichtingenfase inruimt voor het verhaal van de twee partijen samen (exclusief spreektijd van de advocaten).
- De balans in de spreektijd van de twee partijen (het verschil tussen beiden) tijdens de inlichtingenfase.
Het is echter niet alleen het gedrag van de rechter dat ertoe doet. Ook de kenmerken van de zaak zijn (zeker zo) relevant voor het tot stand komen van een schikking Zo is de mate waarin de procesdeelnemers zich cooperatief opstellen, van belang. Daarbij lijkt de opstelling van advocaten nog wat doorslaggevender dan die van de rechtzoekenden zelf, hoewel deze natuurlijk onderling samenhangen.
Los van de opstelling van de procesdeelnemers blijkt ook de schatting van de rechter vooraf op de kans van een schikking enige ‘voorspellende waarde’ te hebben. Verder maakt het uit of partijen de rechter zelf om hulp verzoeken in de vorm van een voorlopig oordeel. Als zij dat doen, is de kans op een schikking groter.
Ten slotte is ook de gerechtelijke context van belang. Ook als we rekening houden met de verschillen in het gedrag van de rechter en kenmerken van de zaak, is de kans op een schikking bij de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch nog altijd duidelijk hoger dan bij de Rechtbank Utrecht. De oorzaak van dit verschil wordt in de analyses niet helder. Er zijn geen aanwijzingen dat de andere variabelen uit de boxen 33 en 34 de kans op een schikking vergroten of verkleinen.3
Vervolgens is onderzocht welke variabelen de kans op een (door partijen en advocaten ervaren) dwangschikking vergroten of verkleinen. De analyses van Van der Linden e.a. (2009) laten zien, dat de kans hierop groter wordt als de rechter (1) een concreet bedrag of een bandbreedte van bedragen noemt die hij redelijk vindt voor een schikking en/of (2) een vergaand voorlopig oordeel geeft door te vertellen dat hij de vordering in zijn totaliteit zal toe- of afwijzen. De kans op een dwangschikking wordt daarentegen kleiner als de rechter (1) wijst op de gevolgen van doorprocederen in termen van tijd, belasting, kosten en/of toekomstige verhouding of (2) aangeeft hoe een redelijke schikking er volgens hem uitziet (hoe hij dat kan doen: zie box 34). Al deze gedragingen van de rechter blijken bij de analyse de verschillen die optreden in het resultaat (wel of geen ervaren dwangschikking), in ruwweg gelijke mate te bepalen.
Deze resultaten roepen de vraag op of het verstandig is om zelf als rechter een concreet schikkingsbedrag of een bandbreedte van bedragen te noemen. Enerzijds vergroot de rechter hierdoor de kans op een schikking Anderzijds neemt daardoor ook de kans op een (ervaren) dwangschikking toe. Het helpt echter wel bij het voorkomen van een dwangschikking als de rechter aangeeft wat hij een redelijke schikking vindt. Dat moet dan blijkbaar subtieler gebeuren dan door het noemen van ‘harde’ bedragen. Dit sluit aan op opmerkingen van procesdeelnemers dat de dwangschikking voortkwam uit de ‘te stellige’ opstelling van de rechter.
Naast het gedrag van de rechter blijken ook andere variabelen van invloed. Zo wijzen de analyses van Van der Linden e.a. (2009) uit, dat de kans op een dwangschikking groter is als twee natuurlijke personen tegenover elkaar staan dan wanneer dat niet het geval is (zaakskenmerk). Ten slotte is de kans op een dwangschikking bij de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch duidelijk hoger dan bij de Rechtbank Utrecht (context). Hoe dat komt, wordt uit de analyses niet duidelijk. Een mogelijke, niet-getoetste verklaring — die ook reeds in paragraaf 4.2.1 naar voren is gebracht zou een cultuurverschil tussen de twee rechtbanken kunnen zijn, bijvoorbeeld in de wijze waarop de rechters bij de twee rechtbanken te werk gaan bij het beproeven van een schikking. Rechters in ‘ s-Hertogenbosch zouden bijvoorbeeld wat volhardender kunnen zijn bij het beproeven van een schikking en mogelijk minder snel ‘nee’ accepteren van partijen dan de rechters in Utrecht. Dit zou kunnen verklaren waarom niet alleen kans op een schikking bij de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch hoger is, maar ook de kans op een ervaren dwangschikking
Procesbeleving
Men kan van een aantal gedragingen van de rechter veronderstellen dat ze van invloed zijn op de ervaren procedurele, interpersoonlijke en informatieve rechtvaardigheid. De gedragingen van de rechter die Van der Linden e.a. (2009) hebben meegenomen in de analyses van deze drie typen rechtvaardigheid staan weergegeven in box 35.
Procedurele rechtvaardigheid
Uit de uitgevoerde analyses komt naar voren, dat naarmate de rechter de procesdeelnemers vaker onderbreekt in hun verhaal tijdens de inlichtingenfase, de kans op een positief oordeel over procedurele rechtvaardigheid afneemt. Daarnaast blijkt de (door advocaten gepercipieerde) juridische deskundigheid van de rechter positief van invloed te zijn. Ten slotte zijn advocaten positiever over de ervaren procedurele rechtvaardigheid dan partijen.
Box 35: De gedragingen van de rechter die zijn meegenomen in de analyses van ervaren procedurele, interpersoonlijke en informatieve rechtvaardigheid
Procedurele en interpersoonlijke rechtvaardigheid:
- het aantal onderbrekingen van partijen en advocaten bij het ‘verkrijgen van inlichtingen’;
- de totale duur van de zitting;
- het aantal samenvattingen door de rechter van hetgeen partijen en advocaten tijdens de inlichtingenfase naar voren brengen;
- de spreektijd die de rechter tijdens de inlichtingenfase inruimt voor het verhaal van de desbetreffende respondent;
- de balans in de spreektijd van beide partijen tijdens de inlichtingenfase, al dan niet inclusief de spreektijd van advocaten.
Informatieve rechtvaardigheid:
- het geven van zaakspecifieke instructies voorafgaand aan de zitting.
De rechter geeft aan het begin van de zitting informatie over:
- de doelen van de zitting;
- de stukken die hij al heeft;
- wie hij en de griffier zijn;
- de mogelijkheid die er tijdens de zitting zal zijn voor advocaten voor juridische argumentatie;
- de mogelijkheid die er tijdens de zitting zal zijn voor partijen om hun verhaal te doen;
- wat er (samengevat) aan de orde is (samenvatting van de zaak);
- wat er globaal besproken zal worden;
- de tijdens de zitting te behandelen onderwerpen;
- de verwachte tijdsduur van de zitting;
- het opstellen van het proces-verbaal.
Interpersoonlijke rechtvaardigheid
Bij de ervaren interpersoonlijke rechtvaardigheid wijzen de analyses uit, dat interruptiegedrag van de rechter wederom van invloed is. Het ervaren respect neemt af met iedere onderbreking. Verder blijkt ook de juridische deskundigheid van de rechter van invloed. Hoe deskundiger hij is (in de ogen van advocaten), des te groter de kans op een positieve procesbeleving in termen van interpersoonlijke rechtvaardigheid. Interessant is ten slotte dat de ‘gerechtelijke context’ hier een rol speelt. In Utrecht is de kans dat partijen en advocaten zich respectvol bejegend voelen door de rechter groter dan in ‘s-Hertogenbosch.4 Ook opmerkelijk is dat advocaten in het algemeen weer eerder positief zijn over de mate van respectvol optreden door de rechter dan partijen.
Informatieve rechtvaardigheid
Uit de uitgevoerde analyses komt naar voren dat drie punten van informatievoorziening met name van belang zijn voor de ervaren informatieve rechtvaardigheid:
dat de rechter zichzelf en de griffier voorstelt;
dat de rechter vertelt wat er globaal besproken gaat worden;
dat de rechter een samenvatting van de zaak geeft aan het begin van de zitting. Wederom blijkt de juridische deskundigheid van de rechter een positieve bijdrage te leveren aan de beleving. Ook blijken advocaten eerder positief gestemd over de ontvangen informatie (en de manier waarop die is overgebracht) dan partijen.
Schikken en procesbeleving
Ten slotte hebben Van der Linden e.a. (2009) onderzocht wat voor effect het bereiken van een schikking heeft op de ervaren rechtvaardigheid. De analyses laten zien, dat in zittingen waarbij een schikking wordt bereikt, de ervaren rechtvaardigheid minder is dan wanneer er geen schikking wordt bereikt.5 Het is niet verwonderlijk dat dit effect het sterkst optreedt bij de procesdeelnemers die de schikking als een dwangschikking hebben ervaren. Maar zelfs procesdeelnemers die de schikking niet als een dwangschikking hebben ervaren, zijn minder positief dan de procesdeelnemers van zaken waarin geen schikking werd bereikt. Dit resultaat geldt voor alle drie de typen rechtvaardigheid6
Conclusie
Uit het onderzoek van Van der Linden e.a. (2009) volgen (impliciet) de volgende verbetervoorstellen. De rechter doet er goed aan om tijdens de zitting:
de verhalen van partijen en advocaten regelmatig samen te vatten (hogere schikkingskans);
te wijzen op de gevolgen van doorprocederen en aan te geven hoe een redelijke schikking er volgens hem uitziet, maar zonder harde bedragen te noemen (lagere kans op dwangschikking);
zichzelf en de griffier voor te stellen, een korte samenvatting te geven van de zaak aan het begin van de zitting, te vertellen wat er globaal besproken gaat worden en partijen en advocaten zo min mogelijk te onderbreken in hun verhaal (hogere kans op een positief rechtvaardigheidsoordeel).