De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/9.1.1.5:9.1.1.5 Voorstellen in de literatuur
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/9.1.1.5
9.1.1.5 Voorstellen in de literatuur
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS369121:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Barendrecht en Van Beukering-Rosmuller (2000) hebben een model voorgesteld voor de aanpak van een comparitie na antwoord. Wat de voorbereiding betreft merken zij op, dat deze verbeterd zou kunnen worden door partijen voorafgaand aan de zitting een agenda met de te bespreken onderwerpen toe te sturen. De zitting verdelen zij in de volgende vijf fasen:
startfase;
exploratiefase; 3 onderhandelingsfase;
inlichtingenfase;
procesplanningsfase.
In box 38 is per fase een korte beschrijving opgenomen. Bij de eerste drie fasen staat probleemoplossend onderhandelen centraal. De rechter heeft in deze fasen de mogelijkheid om mediationtechnieken toe te passen. Barendrecht en Van Beukering-Rosmuller (2000) wijzen er verder op, dat de rechter partijen duidelijk moet vertellen dat de inlichtingen die zij hem geven, mee kunnen wegen in het vonnis. Wat in het model van Barendrecht en Beukering-Rosmuller (2000) opvalt, is dat het beproeven van een schikking — in afwijking van de gangbare volgorde in de praktijk — voorafgaat aan het verkrijgen van inlichtingen.
Box 38: De vijf fasen van de zitting volgens Barendrecht & Van Beukering-Rosmuller (2000)
1. Startfase. De agenda en werkwijze voor de zitting worden bepaald en de rechter zorgt ervoor dat partijen begrijpen wat er gaat gebeuren tijdens de zitting.
2. Exploratiefase. De rechter probeert in deze fase te achterhalen waar het partijen echt om gaat in de procedure, hun belangen. Het is belangrijk dat partijen actief naar elkaar luisteren en de visie van de ander serieus nemen. De rechter kan met zijn houding actief luisteren en samenvatten — het goede voorbeeld aan partijen geven. Het is belangrijk dat partijen van tevoren verteld wordt dat aan beide kanten steeds dezelfde (bij voorkeur: open) vragen worden gesteld en dat zij allebei korte spreektijden krijgen. Als de belangen van partijen naar voren zijn gekomen, kan er gebrainstormd worden over mogelijke oplossingen.
3. Onderhandelingsfase. In deze fase zoeken partijen — met behulp van de rechter — naar oplossingen met een zo groot mogelijke gezamenlijke winst. De beste manier om partijen een goed beeld te geven van hun proceskansen is stap voor stap met hen bespreken op welke punten er beslist moet worden. Als de beslissingsstructuur helder is, kan de rechter partijen vragen om op ieder punt de eigen kansen in procenten aan te geven. Hierdoor wordt duidelijk op welke punten de inschattingen van partijen uiteenlopen en de rechter kan hun inschattingen van commentaar voorzien en bijsturen.
4. Inlichtingenfase. In deze fase komen de feiten aan de orde die de rechter nodig heeft om vonnis te kunnen wijzen.
5. Procesplanningsfase. De rechter stemt met partijen zo veel mogelijk de verdere stappen in het proces af.
Een ander voorstel voor goede zittingspraktijken is de praktijkgids van Pel (2008). Deze gids is bedoeld voor eenieder die te maken heeft met doorverwijzing naar mediation. Ik bespreek hieronder kort de (doorverwijzings)vaardigheden die in de praktijkgids worden beschreven en op hun effectiviteit zijn getoetst, omdat rechters deze mogelijk — ook afgezien van het doorverwijzen naar mediation — kunnen toepassen tijdens hun zitting. Pel (2008) maakt een onderscheid tussen gespreksvaardigheden zoals vragen stellen, herformuleren (het vertalen van onproductieve opmerkingen van partijen naar meer vruchtbare opmerkingen), gemeenschappelijke belangen van partijen naar boven brengen, de metacommunicatie (de communicatie zelf) ter sprake brengen, samenvatten op inhoud, intentie (bedoeling van de partij) en emotie (wat betekent het emotioneel voor de partij), omgaan met weerstanden en een goede timing rekening houdend met de verwachtingen van partijen en advocaten.
Verder komt in de praktijkgids van Pel (2008) het toeschrijven of voorschrijven van belangen aan de orde. Het risico daarvan, bijvoorbeeld door te veronderstellen dat partijen baat hebben bij een snelle en (relatief) goedkope oplossing, is volgens haar dat dergelijke belangen niet bijdragen aan werkelijk commitment van partijen om een oplossing te vinden. Door open vragen te stellen kunnen de werkelijke belangen van partijen naar boven gehaald worden. Aan de andere kant schrijven partijen soms ook (ten onrechte) bepaalde belangen toe aan de verwijzer. De verwijzer kan dit ondervangen door open naar partijen te communiceren wat zijn motivering is voor de verwijzing.
Ten slotte wijst Pel (2008) nog op het belang van realistische voorlichting. Goede voorlichting voorafgaand aan de zitting verhoogt volgens haar de tevredenheid achteraf, omdat die voorlichting via de (bijstelling van) verwachtingen van partijen de tevredenheid beïnvloedt.
Steenberghe (in: Verschoof e.a., 2008) geeft een omschrijving van de regiefunctie van de civiele rechter vanuit het perspectief van de rechtszoekende aan de hand van het onderzoek van Ippel en Heeger-Hertter (2006), welk onderzoek in paragraaf 1.3 werd beschreven. Uit zijn betoog kan een aantal verbetervoorstellen voor de zitting gehaald worden.
Allereerst geeft hij aan, dat de rechter aan het begin van de zitting kan aangeven welke onderwerpen hij wil bespreken. Vervolgens kan hij partijen en advocaten uitnodigen om op dat voorstel te reageren en om aan te geven welke onderwerpen zij daarnaast nog zouden willen behandelen. Als de rechter dit niet doet, dan zouden advocaten aan het begin van de zitting de rechter kunnen vragen de te bespreken onderwerpen even samen af te stemmen. Steenberghe geeft aan, dat advocaten best wat actiever zouden mogen opkomen voor wat zij en hun cliënten van de zitting verwachten als de rechter daaraan dreigt voorbij te gaan. Hij is er ook voorstander van, dat de rechter aan het begin van de zitting met de aanwezigen de wederzijdse verwachtingen bespreekt.
Daarnaast wijst Steenberghe erop, dat het voor een goede communicatie belangrijk is dat de rechter de overgang van het verkrijgen van inlichtingen naar het beproeven van een schikking inzichtelijk maakt voor de aanwezigen. Die twee fasen moeten volgens hem goed onderscheiden worden, omdat de rechter verantwoordelijk is voor het vonnis, maar partijen verantwoordelijk zijn voor de afdoening via een schikking. Ten slotte merkt Steenberghe op, dat partijen, advocaten en de rechter ter zitting oog moeten hebben voor de relatieve waarde van een vonnis door bijvoorbeeld stil te staan bij vragen zoals: Biedt een vonnis een oplossing voor het probleem van partijen? Worden hun behoeften optimaal vervuld met een vonnis? En in welke mate?