Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/6.5.2.1
6.5.2.1 Aantasting van een grondrechtelijk belang
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955530:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ov. 32 Handhavingsrichtlijn; HvJ EG 29 januari 2008, C-275/06, ECLI:EU:C:2008:54 (Promusicae), rov. 68 en 70.
HvJ EU 29 juli 2019, C-469/19, ECLI:EU:C:2018:623 (Funke Medien), rov. 57-64; HvJ EU 29 juli 2019, C-476/17, ECLI:EU:C:2019:624 (Pelham), rov. 59-65; HvJ EU 29 juli 2019, C-516/17, ECLI:EU:C:2019:625 (Spiegel Online), rov. 42-49.
Zie ook: HvJ EU 26 februari 2013, C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105 (Akerberg Fransson), rov. 19: “Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt (…) dat de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst”.
Teunissen, IER 2018/40, afl. 5, p. 379.
EHRM 10 januari 2013, nr. 36769/08, ECLI:CE:ECHR:2013:0110JUD003676908 (Ashby Donald), rov. 38-41. De precieze beoordelingsruimte verschilt afhankelijk van de betrokken grondrechten en de aard van de daarmee gediende belangen; zie Kulk & Teunissen, AMI 2019, afl. 4, p. 131.
EHRM 1 september 2022, nr. 885/12, ECLI:CE:ECHR:2022:0901JUD000088512 (Safarov/Azerbeidzjan), rov. 31-37.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 55-56.
Par. 6.5.1.1.
HvJ EG 14 mei 1974, C-4/73, ECLI:EU:C:1975:114 (Nold), rov. 14; HvJ EG 27 september 1979, C-230/78, ECLI:EU:C:1979:216 (SpA Eridania e.a.), rov. 20 en 31. Zie ook Dijkman 2023, p. 154.
Zie ook HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 55-56.
Zie bijv. de auteursrechtelijke citaat- en reportage-exceptie; zie HvJ EU 29 juli 2019, C-469/19, ECLI:EU:C:2019:623 (Funke Medien), rov. 60 en 73, HvJ EU 29 juli 2019, C-516/17, ECLI:EU:C:2019:625 (Spiegel Online), rov. 45 en 57; HvJ EU 29 juli 2019, zaak C-476/17, ECLI:EU:C:2019:624 (Pelham), rov. 60 en 73.
Aldus ook: concl. A-G M. Szpúnar, ECLI:EU:C:2018:1002, bij: HvJ EU 29 juli 2019, C-476/17 (Pelham), pt. 77; Griffiths 2018, p. 157.
Zie HR 20 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1845, AA 1997, p. 640, m.nt. H. Cohen Jehoram, IER 1995/41, NJ 1995/682, m.nt. J.H. Spoor (Dior/Evora), rov. 3.6.2.
Zie HvJ EU 19 april 2016, C‑441/14, EU:C:2016:278 (Dansk Inustri), rov. 32; HvJ EU 24 januari 2012, C-282/10, ECLI:EU:C:2012:33 (Dominguez), rov. 25; HvJ EG 4 juli 2006, C-212/04, ECLI:EU:C:2006:443 (Adeneler), rov. 110.
Zie Teunissen, IER 2018/40, afl. 5, p. 385-386; Kulk & Teunissen, AMI 2019, afl. 5, p. 153-154.
Uit de Handhavingsrichtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat bij de toewijzing van een verbod een rechtvaardig evenwicht moet worden bewaard tussen de betrokken grondrechten. Dit roept de vraag op of een beroep op een ‘concurrerend’ grondrecht een afwijzing van een verbod kan rechtvaardigen. Voor een dergelijk oordeel bestaat in mijn ogen slechts in uitzonderlijke gevallen ruimte. Op zichzelf is juist dat het Unierecht in de weg staat aan toewijzing van een verbod wanneer zulks een ongerechtvaardigde beperking van een grondrecht zou meebrengen.1 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter ook dat de bescherming van grondrechtelijke belangen primair moet worden verwezenlijkt binnen het bestaande systeem en dat er geen ruimte bestaat voor aanvullende beperkingen op het exclusieve recht.2 Zou in de handhavingsfase steeds ruimte bestaan voor een ‘open’ grondrechtenafweging, dan zou daarmee het wettelijk stelsel worden ondergraven en zou ook de effectiviteit van het Unierecht op het spel komen te staan.
Het lijkt mij verdedigbaar dat een vergelijkbaar uitgangspunt geldt voor intellectuele-eigendomsrechten die materieel niet of slechts gedeeltelijk zijn geharmoniseerd. Sinds de introductie van de Handhavingsrichtlijn valt het verbod immers binnen de reikwijdte van het Unierecht.3 Het gaat echter te ver om een ‘systeemexterne’ toetsing geheel uit te sluiten als de materiële regeling niet wordt beheerst door het Unierecht. Het nationale recht moet immers verdragsconform worden uitgelegd, wat onder meer betekent dat de uitleg en toepassing daarvan niet in strijd mogen zijn met bepalingen van het EVRM.4 Duidelijk is tegelijkertijd dat voor een dergelijke toetsing slechts in uitzonderlijke gevallen ruimte bestaat.5 De rechtspraak leert namelijk dat het recht op eigendom zich verzet tegen het toestaan van inbreukmakende handelingen wanneer daarvoor geen basis valt aan te wijzen in de betreffende materiële regeling.6
Het is niet uitgesloten dat bij de vormgeving van het verbod aandacht wordt besteed aan grondrechtelijke belangen. Als de rechter bijvoorbeeld concludeert dat sprake is van een inbreukmakend citaat, dan kan hij volstaan met een specifiek geformuleerd verbod waarin is opgenomen welke aanpassingen de inbreukmaker dient te verrichten om niet langer inbreuk te maken. Een dergelijke veroordeling draagt bij aan de beëindiging van de inbreuk en adresseert tegelijkertijd het probleem van overblokkering.7
Over het algemeen geldt dus dat de afweging van grondrechten dient te geschieden binnen de grenzen van het materiële recht en dat voor een beroep op een grondrecht ter afwering van een verbodsactie in beginsel geen ruimte bestaat. Niettemin zijn er uitzonderingen te bedenken op deze regel. Enkele daarvan komen hieronder aan de orde.
(i) Beëindiging van rechtmatige activiteiten of blokkering van rechtmatige informatie
De eerste uitzondering op het verbod op externe toetsing vormt het geval waarin het verbod naast inbreukmakende handelingen ook rechtmatige activiteiten raakt die grondrechtelijke bescherming genieten. Hiervoor kwam al aan de orde dat een dergelijk geval zich voor kan doen wanneer de inbreuk betrekking heeft op een onbelangrijke component waarvoor geen reële alternatieven bestaan.8 Omdat een verbod in deze gevallen overwegend leidt tot stopzetting van niet-inbreukmakende bedrijfsactiviteiten, zal een dergelijke veroordeling doorgaans ook een wezenlijke aantasting van de vrijheid van ondernemerschap opleveren.9 Op vergelijkbare wijze staat de informatievrijheid eraan in de weg dat een verbod tot gevolg heeft dat rechtmatige informatie niet (langer) beschikbaar is voor het publiek (‘overblokkering’).10 Dergelijke grondrechtencasus zijn inhoudelijk al aan de orde gekomen bij het gevalstype ‘ondergeschiktheid’ en behoeven dus geen nadere bespreking.
(ii) Waarborging van een verdragsconforme uitleg
De tweede uitzondering heeft betrekking op situaties waarin een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verbod nodig is om een verdragsconforme interpretatie te verzekeren. Een dergelijke situatie kan zich voordoen als een richtlijnbepaling niet of onjuist is geïmplementeerd. Een voorbeeld is de reportage-exceptie uit art. 16a Aw, die betrekking heeft op een korte opname, weergave en mededeling van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst in het openbaar. Deze bepaling staat op gespannen voet met art. 5 lid 3 sub c Auteursrechtrichtlijn, dat uitdrukkelijk bepaalt dat het gehele werk mag worden overgenomen. Daarnaast kan het voorkomen dat een facultatieve richtlijnbeperking niet is opgenomen in het nationale recht. Aangezien lidstaten de vrijheid hebben om een dergelijke exceptie (niet) op te nemen, kan niet worden gezegd dat sprake is van een onvolledige of onjuiste implementatie. Niettemin kan uit het feit dat bepaalde excepties uitdrukkelijk beogen bepaalde grondrechten te prioriteren,11 worden afgeleid dat het ontbreken van zulke beperkingen in het nationale recht onverenigbaar is met het Handvest.12
Omdat het in deze gevallen gaat om de verenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht, verdient het de voorkeur dat de rechter het gewenste resultaat realiseert binnen de kaders van het materiële recht, bijvoorbeeld door een analoge uitleg van een bestaande beperking.13 De mogelijkheden daartoe zijn echter niet onbeperkt. De verplichting tot conforme uitleg wordt begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, en kan niet dienen als grondslag voor een contra legem interpretatie van het nationale recht. 14 Het is dus niet uitgesloten dat de rechter pas in de handhavingsfase toekomt aan conformiteitskwesties. Dit kan indirect via privaatrechtelijke open normen zoals de redelijkheid en billijkheid en het verbod op rechtsmisbruik.15 De rechter kan het probleem echter ook oplossen door het (al dan niet grondrechtelijk beschermde) gebruiksbelang in aanmerking te nemen bij de evenredigheidstoets.