Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.3.3:9.3.3.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.3.3
9.3.3.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611441:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 2004/05, 29 767, nr. C, p. 12.
Kamerstukken II 2004/05, 29 767, nr. 3, p. 26.
Brief van de Ministers van Financiën, van Justitie en van Economische Zaken, Kamerstukken II 2003/04, 29 449, nr. 1, p. 25.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 10a lid 7 Wet LB 1964 geldt vanwege het gebruik van de term ‘verbonden vennootschap’ alleen voor aandelenvennootschappen. De regeling is hierdoor niet neutraal ten aanzien van de rechtsvorm. Een participatieplan voor werknemers van een coöperatie valt bijvoorbeeld niet onder de reikwijdte van art. 10a Wet LB 1964. Als gevolg hiervan vindt belastingheffing ter zake van deze rechten plaats op het moment dat zij onvoorwaardelijk worden toegekend, of op het moment dat zij onvoorwaardelijk worden. In die gevallen is dus niet het daadwerkelijk gerealiseerde voordeel bij uitoefening belast, maar de waarde in het economische verkeer van het optierecht.1 Ik vind dit geen logische uitkomst, vooral nu de heffing over het daadwerkelijk gerealiseerde optievoordeel is gebaseerd op de gedachte dat Nederland internationaal meer in de pas zou moeten lopen, en de meeste landen op het realisatiemoment heffen.2 De uitkomst past ook niet bij een ander belangrijk uitgangspunt van de afschaffing van het keuzeregime dat gold vóór 1 januari 2005, namelijk dat moet worden voorkomen dat bij vervreemding of uitoefening van het optierecht aanzienlijke voordelen ontstaan die niet kunnen worden belast, omdat al loonbelasting is betaald op het genietingsmoment.3
Al met al acht ik het niet duidelijk waarom in art. 10a lid 7 Wet LB 1964 wordt gesproken van een ‘verbonden vennootschap’, en niet van een ‘verbonden lichaam’. Wellicht is de reden dat het een regeling voor werknemersopties op aandelen betreft, en dat daarom vooral is gedacht aan een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal.