Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.3.1:9.3.3.1 Wettelijke omschrijving
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.3.1
9.3.3.1 Wettelijke omschrijving
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604143:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1997/98, 25 721, nr. 3, p. 8.
Kamerstukken I 1998/99, 26 020, nr. 104b, p. 6.
Voortzetting in het buitenland van de pensioenopbouw in een Nederlandse pensioenregeling (Vraag & Antwoord 08-003 van 12 februari 2008), www.belastingdienstpensioensite.nl.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het begrip ‘verbonden vennootschap’ is gedefinieerd in art. 10a lid 7 Wet LB 1964. De inhoud van dit begrip komt vrijwel geheel overeen met het begrip ‘verbonden lichaam’ in artikel 10a lid 4 Wet VPB 1969. Een ‘verbonden vennootschap’ is namelijk: – een vennootschap waarin de inhoudingsplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;
een vennootschap die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de in-houdingsplichtige;
een vennootschap waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de inhoudingsplichtige.
In art. 10a lid 8 Wet LB 1964 is bepaald dat de verbondenheid ook geldt ten aanzien van de verkrijgende vennootschap, die in het kader van een juridische fusie of splitsing het vermogen van de inhoudingsplichtige of een daarmee ‘verbonden vennootschap’ verkrijgt. Hierdoor blijft er sprake van een aandelenoptierecht in de zin van art. 10a Wet LB 1964, indien dit recht betrekking heeft op een vennootschap die na een juridische fusie of splitsing niet langer als ‘verbonden vennootschap’ in de zin van art. 10a lid 7 Wet LB 1964 kan worden aangemerkt.1
In de parlementaire toelichting is opgemerkt dat de bepaling van art. 10a lid 7 Wet LB 1964 de definitie bevat voor wat als ‘verbonden lichaam’ (cursivering RZ) geldt.2 Echter, in de wetsgeschiedenis met betrekking tot art. 18g Wet LB 1964 is uitdrukkelijk bepaald dat het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 een ruimere strekking heeft dan het begrip ‘verbonden vennootschap’ (cursivering RZ) in art. 10a lid 7 Wet LB 1964.3 In dit verband wijs ik erop dat in art. 10a lid 7 Wet LB 1964, anders dan in art. 10a lid 4 en 5 Wet VPB 1969 voor de verbondenheid geen rekening wordt gehouden met belangen van nauw verbonden personen, zoals de partner of een kind van een persoon. De reikwijdte is dus inderdaad beperkter. Op basis van de identieke antiontgaansfunctie van beide begrippen acht ik dit overigens niet logisch.
In andere regelingen voor de loonbelasting wordt eveneens uitgegaan van een ‘verbonden vennootschap’ in de zin art. 10a lid 7 Wet LB 1964. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de verdubbeling van het maximale bedrag voor de eindheffing van spaarloon in art. 31 lid 8 Wet LB 1964. Het begrip wordt ook gebruikt in de regeling ‘producten eigen bedrijf’ van art. 41 Uitv.reg. LB 2001, de regeling ‘rentevoordeel van personeelsleningen’ van art. 59 Uitv.reg. LB 2001, en de maximale opbouw per jaar voor de levensloopregeling in art. 61e Uitv.reg. LB 2001. Het begrip ‘verbonden vennootschap’ speelt voorts een rol bij de S&O-afdrachtvermindering in art. 23 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
Er zijn echter ook regelingen waarin juist aansluiting is gezocht bij het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de vaststelling van de diensttijd voor een fiscaal gekwalificeerde pensioenregeling in de zin van hoofdstuk IIB van de Wet LB 1964. Op basis van art. 10a lid 1 onderdeel b Uitv.besl. LB 1965 telt in dit verband ook de diensttijd mee die is doorgebracht bij een buitenlands ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969.
Overigens was tot voor kort in het besluit van 16 april 2001, nr. RTB2001/1325M, V-N 2001/25.14, toegelicht dat een Nederlandse inhoudingsplichtige geen vrijgestelde pensioentoezegging kan doen gedurende de periode dat een werknemer is uitgezonden naar een in het buitenland gevestigd ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969. Hiermee samenhangend was in het besluit van 24 juli 2002, nr. CPP2002/1073M, V-N 2002/38.22, wel goedgekeurd dat het buitenlandse lichaam zelf een vergelijkbare pensioentoezegging doet, ter zake waarvan de aanspraken bij dezelfde pensioenverzekeraar worden ondergebracht. Beide besluiten zijn ingetrokken op basis van het besluit van 31 januari 2008, nr. CPP2007/98M, V-N 2008/9.17, maar nadien zijn de beleidsregels in vergelijkbare vorm gepubliceerd op de voorlichtingssite van de kennisgroep pensioenen van de Belastingdienst.4