Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/9.3.2
9.3.2 Situaties waarin uit het rechtmatig alternatief volgt dat de geschonden norm niet beoogt te beschermen tegen de schade zoals geleden
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588642:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 6.2.5.
Zie § 6.2.6.
Kort gezegd mocht een effecteninstelling geen transactie voor een cliënt uitvoeren indien de cliënt over onvoldoende saldi hiervoor beschikte (lid 2), diende de effecteninstelling er voortdurend op toe te zien dat de cliënt over voldoende saldi beschikte om aan verplichtingen die uit de financiële instrumenten kunnen voortvloeien te kunnen voldoen (lid 3) en, indien de cliënt niet over die voldoende saldi beschikte, diende de bank aanvullende zekerheden te verlangen en als de cliënt die zekerheden niet verstrekte, de posities op zo kort mogelijke termijn te sluiten (lid 4).
HR 11 januari 2013,NJ 2013/47 (Amsterdam/Have). Genoemd dient ook te worden HR 23 december 2011,NJ 2012/377 m.nt. P. van Schilfgaarde (V. en P./DNB en AFM) waarin door DNB en de AFM werd bepleit dat zij dezelfde schade met een rechtmatig besluit hadden kunnen toebrengen, maar niettemin aansprakelijkheid voor de door het onrechtmatig besluit veroorzaakte schade werd aangenomen (voor het deel dat niet ook veroorzaakt zou zijn door de strafrechtelijke uitspraak). De Hoge Raad verwierp de klachten op dit punt met toepassing van art. 81 RO. Niet duidelijk is mij uit de gepubliceerde uitspraken en de conclusie geworden of inderdaad daarnaast op hetzelfde moment een rechtmatig besluit genomen had kunnen worden en verder is het beroep op het rechtmatig alternatief ongelukkig ingebed in het causaliteitsvereiste. Om deze redenen laat zich uit het arrest weinig afleiden.
Zoals in nr. 269 besproken, behoeft dat op zichzelf niet onrechtmatig te zijn.
De leer van Demogue-Besier dient niet te worden toegepast, terwijl de gemeente zich er mijns inziens ook niet op kan beroepen dat als zij maar geweten had dat zij de beslistermijn dreigde te overschrijden, zij dan wel de beslistermijn zou hebben verlengd; zie over beide aspecten nader hoofdstuk 6.
452. Uit het gegeven dat de schade ook rechtmatig toegebracht had kunnen worden, volgt in allerlei gevallen op natuurlijke en bijna vanzelfsprekende wijze dat met de geschonden norm kennelijk niet beoogd is tegen dergelijke schade te beschermen.
453. Dit kwam eerder in dit boek al naar voren. In hoofdstuk 6 bleek het verlangen van causaal verband tussen het specifiek normschendende element en de schade in diverse gevallen op elegante wijze tot wenselijke resultaten te leiden. Ik betoogde dat de reden hiervoor was dat in deze gevallen uit de mogelijkheid om dezelfde schade rechtmatig toe te brengen volgde dat kennelijk met de geschonden norm niet beoogd was te beschermen tegen de schade zoals geleden.1 Tevens betoogde ik dat het beter was om in deze gevallen niet door middel van het causaliteitsvereiste aansprakelijkheid te begrenzen.2
In de in nr. 301 besproken zaak over het in strijd met de bouwverordening geplaatste transformatorenstation, volgde uit het gegeven dat het station rechtmatig op een zodanige manier geplaatst kon worden dat het uitzicht van het nabijgelegen hotel op dezelfde manier nadelig zou worden beïnvloed als bij de onrechtmatige plaatsing, dat kennelijk de geschonden norm niet beoogde te beschermen tegen het uitzichtnadeel van de hoteleigenaar. In de in nr. 302 besproken zaak van de te hard varende Monte Santo volgde uit het gegeven dat als de Monte Santo iets eerder was vertrokken en de maximumsnelheid zou hebben aangehouden dezelfde aanvaring zou hebben plaatsgehad, dat kennelijk de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden.
454. In § 9.2.1 zagen wij dat indien wordt gehandeld zonder de vereiste vergunning, het gegeven dat dezelfde schade met vergunning kan worden toegebracht, in beginsel meebrengt dat met de regulering waarvan het verbod om bepaalde activiteiten zonder vergunning te verrichten onderdeel is, niet beoogd is tegen dergelijke schade te beschermen. In § 9.2.2 zagen wij dat uit het gegeven dat de overheid door het nemen van een rechtmatig besluit precies dezelfde schade had kunnen toebrengen als met het genomen onrechtmatige besluit, kan volgen dat met de geschonden norm niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden.
455. Een andere mijns inziens fraaie illustratie van de betekenis van het rechtmatig alternatief geeft de zaak Nabbe/Staalbankiers.3
Nabbe verrichtte over een periode van vijf jaar bij Staalbankiers beleggingstransacties. In deze periode had Staalbankiers bepaalde transacties, waartoe Nabbe opdracht had gegeven, niet mogen uitvoeren omdat niet voldaan was aan de marginverplichting en de dekkingsverplichting die voortvloeiden uit art. 28 lid 2 t/m 4 Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1999.4 Nabbe vorderde vergoeding van Staalbankiers van het verlies dat was geleden op de verschillende transacties die Staalbankiers niet had mogen uitvoeren. Het hof wees de vordering van Nabbe af, overwegende dat: “[d]e verplichting voor de bank om bij een saldotekort geen nieuwe transacties uit te voeren en de margin strict te handhaven, (…) niet bedoeld [is] om te voorkomen dat de belegger verlies lijdt op de door hem verworven posities. Verliezen kunnen immers evengoed worden geleden als de in art. 28 lid 2 NR vermelde verplichting en de marginverplichting (alsnog) wèl worden nageleefd. Het doel van deze verplichtingen is dan ook veeleer hierin gelegen, dat voorkomen moet worden dat de belegger schade lijdt die hij niet wil of kan dragen. De belegger zal in het algemeen geacht moeten worden een schade te kunnen of willen dragen die blijft binnen de door hem voor beleggingsdoeleinden bestemde bestedingsruimte met inbegrip van hem verleend effectenkrediet.” (rov. 3.4). De Hoge Raad sanctioneerde dit oordeel.5
Bij de bepaling van de strekking van de geschonden norm kende het hof dus niet zozeer belang toe aan een uit de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling blijkende bedoeling, maar aan het feit dat dezelfde schade zoals door Nabbe was geleden ten gevolge van het door Staalbankiers schenden van de norm, doorgaans “evengoed” kan worden geleden als de bank haar verplichtingen wél naleeft en de belegger in het algemeen geacht moet worden deze schade te “kunnen of willen” dragen. Op die grond concludeerde het hof, later gesanctioneerd door de Hoge Raad, dat kennelijk met de regeling niet was beoogd te beschermen tegen de schade zoals geleden. Deze redenering vertoont overigens een opvallende gelijkenis met de redenering die het House of Lords hanteerde in de in nr. 430 besproken vergelijkbare zaken South Australia Asset Management Corporation v. York Montague Ltd. en Banque Bruxelles Lambert SA v. Eagle Star Insurance Co. Ltd. In deze zaken viel uit de overeenkomst met de taxateur niet af te leiden of met de door de taxateur geschonden norm ook beoogd was te beschermen tegen de schade die de bank leed doordat een verkeerd getaxeerde vastgoedportefeuille vanwege het instorten van de markt in waarde afnam. De omstandigheid dat de bank deze schade in het algemeen ook had kunnen lijden zonder een onzorgvuldige waardering bracht het House of Lords tot de conclusie dat zich niet liet rechtvaardigen om het risico van de door de bank aangegane transactie voor rekening van de taxateur te brengen.
456. Een andere zaak waarin het rechtmatig alternatief een rol speelt is Amsterdam/Have.6
Het college van B&W van de gemeente Amsterdam verleende aan Have een exploitatievergunning, maar overschreed daarbij de wettelijke beslistermijn.7 Have leed schade door de te late verlening en vorderde vergoeding daarvan van de gemeente. De burgemeester had wel de bevoegdheid om de beslistermijn te verlengen. Zou de burgemeester van die bevoegdheid gebruik hebben gemaakt, dan had de gemeente de schade zonder meer rechtmatig kunnen toebrengen. Van de bevoegdheid was echter geen gebruik gemaakt. Het hof oordeelde dat het enkele bestaan van de verlengingsmogelijkheid niet afdoet aan het bestaan van causaal verband tussen het verweten te laat verlenen van de vergunning en de schade. De Hoge Raad vernietigde op dat punt en oordeelde dat omdat de schade ook zou zijn ontstaan indien en voor zover de gemeente de verlengingsmogelijkheid wel zou hebben benut, niet zonder meer van het bestaan van causaal verband tussen de termijnoverschrijding en de schade kan worden uitgegaan (rov. 3.12).
De aanvrager van de vergunning verweet de gemeente niet dat de burgemeester de beslistermijn niet heeft verlengd; de aanvrager verweet de gemeente dat het college van B&W, gegeven de beslistermijn, te laat een besluit had genomen. Het oordeel van het hof over de causaliteit acht ik daarom juist.8 Niettemin ligt naar ik meen wel voor de hand om uit het gegeven dat dezelfde schade rechtmatig toegebracht had kunnen worden als de burgemeester de beslistermijn had verlengd, te laten volgen dat met de beslistermijn, voor zover verlengbaar, niet beoogd is de aanvrager van een vergunning te beschermen tegen schade die ontstaat bij een te late verlening van de vergunning, voor zover die schade ook zou ontstaan bij een verlenging van de beslistermijn. Het beogen te beschermen tegen die schade zou zich immers niet goed laten verenigen met het tegelijkertijd creëren van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn. De Hoge Raad plaatst deze kwestie naar mijn mening enigszins ongelukkig in de causaliteitstoets. Op deze wijze wordt het zicht op de werkelijke reden om de aansprakelijkheid van de gemeente te beperken ontnomen.