Einde inhoudsopgave
Codes en convenanten (SteR nr. 20) 2014/2.1.3
2.1.3 Instrumentkeuze
mr. A.G.D. Overmars, datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- Auteur
mr. A.G.D. Overmars
- JCDI
JCDI:ADS360097:1
- Vakgebied(en)
Onderwijsrecht / Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie: Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 1 april 2011, nr. 3102255, houdende vaststelling van de negende wijziging van de Aanwijzingen voor de regelgeving, Stcrt. 2011, 6602. In aanwijzing 7 wordt onder c aangegeven dat voorafgaand aan het treffen van een regeling eerst onderzocht dient te worden ‘of de gekozen doelstellingen kunnen worden bereikt door middel van het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren dan wel daarvoor overheidsinterventie noodzakelijk is’. Bij het bepalen van de keuze voor een mogelijkheid tot overheidsinterventie dient zoveel mogelijk te worden aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren (aanwijzing 8).
Jong, P.O. de & M. Herweijer, Alle regels tellen. De ontwikkeling van het aantal wetten, AMvB’s en ministeriële regelingen in Nederland, WODC 225, Den Haag 2004.
Zie: Bressers, J.Th.A. & P.J. Klok, Grondslagen voor een instrumententheorie, Beleidswetenschap, 1987-1, p. 77-97.
Hoewel gestreefd wordt naar minder regels, neemt de productie ervan steeds meer toe. Zie: De Jong & Herweijer 2004.
De Aanwijzingen voor de regelgeving1 bevatten elementen die van belang zijn bij het keuzeproces, dat zich veelal niet beperkt tot de keuze voor één instrument. Vaak wordt voor de aanpak van een maatschappelijk probleem een combinatie van instrumenten ingezet.
Bepalend voor de keuze tussen verschillende instrumenten is allereerst de juridische context. Veelal wordt het speelveld bepaald door bestaande wetgeving, al dan niet ontstaan in Europees verband. Hoewel onderzoek2 aantoonde dat het leeuwendeel van de wijzigingen in de Nederlandse regelgeving niet wordt veroorzaakt door het aantal Europese richtlijnen dat wordt geïmplementeerd, kan die implementatie invloed hebben op de instrumentkeuze, bijvoorbeeld door de ruimte die gelaten wordt voor zelfregulering. Dat brengt variatie in verticale en horizontale instrumenten met zich mee, waarbij in dit onderzoek voor een tweetal instrumenten een vergelijking gemaakt wordt tussen een aantal lidstaten. Een tweede belangrijke factor is de nationale politiek. Veel problemen zijn politiek gedicteerd, bijvoorbeeld door de inhoud van het regeerakkoord. Een derde factor van belang is het maatschappelijk draagvlak. Nieuwe wet- en regelgeving kan feitelijk alleen worden ingevoerd als het op steun kan rekenen van een respectabel deel van de betrokkenen. Een zekere mate van naleving is van belang, anders worden de handhavingskosten buitenproportioneel hoog. Ook bij andere typen instrumenten, als een convenant of een keurmerk geldt dat het moet kunnen rekenen op een zekere minimale steun van de meeste betrokken partijen. Hierbij geldt dat de partijen in beginsel het instrument kiezen dat de bestaande machtspositie niet aantast. De positie van de onderhandelaars zal in het keuzeproces niet verzwakt worden. Dit motief achter de instrumentkeuze kan door de overheid gerespecteerd worden: bestaande machtsposities in stand laten of gebruiken.3 Een vierde factor is de effectiviteit van het instrument: in hoeverre wordt het doel bereikt. Behalve de effectiviteit bepaalt ook de tijd die het kost om een instrument in te voeren hoe aantrekkelijk een instrument is. Introductie van een nieuwe wet is een tijdrovend proces. Als een probleem snel moet worden opgelost, dan zijn andere instrumenten wellicht aantrekkelijker. Ook komt het voor dat er twee paden worden bewandeld. Een ander instrument wordt tijdelijk ingezet, totdat het wetgevingsproces is afgerond. Tot slot is een bepaalde ministeriële traditie van invloed op de keuze voor een instrument (de departementale wetsfamilies). Het huidige streven naar deregulering leidt tot meer aandacht voor andere instrumenten.4