Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.5.4:5.5.4 Illustratie van de voorgestelde invulling van begrippen betaling en rechtsgrond
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.5.4
5.5.4 Illustratie van de voorgestelde invulling van begrippen betaling en rechtsgrond
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS497563:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook hoofdstuk 6, par. 6.4.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een voorbeeld verduidelijkt de door mij voorgestelde benadering waarin het ontvangen en verrichten van prestaties kan worden toegerekend en waarin het begrip rechtsgrond wordt uitgelegd als het ontbreken van een rechtvaardiging voor het verrichten en ontvangen van een prestatie.
Het voorbeeld betreft – opnieuw – een afgekorte betaling, waarin A op verzoek van B rechtstreeks betaalt aan C. Stel dat de rechtsverhouding AB gebrekkig is. Stel verder dat C kan wijzen op een vordering op B, terwijl C heeft mogen menen dat A de hulppersoon van B was. Voor dit geval neem ik met de heersende leer aan dat A een prestatie heeft verricht aan C. Bovendien meen ik – in afwijking van de heersende leer – dat A eveneens heeft gepresteerd aan B. B heeft immers een opdracht gegeven aan A om een prestatie te verrichten, en door deze prestatie gaat B’s schuld aan C teniet. De ontvangst van de prestatie door C is dan voor B’s rekening verricht. Daarom kan deze ontvangst door C worden toegerekend aan B.
Bezien vanuit het perspectief van A ontbreekt daarom een rechtvaardiging voor zowel het verrichten van de prestatie aan C als aan B. A heeft om die reden een vordering uit onverschuldigde betaling. Tegen wie kan A deze vordering instellen? Het antwoord op deze vraag hangt af van het antwoord op de vraag of een rechtvaardiging bestaat voor het behouden van de prestaties aan B en C.
Bezien vanuit het perspectief van B ontbreekt een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie. A kan daarom van B terugvorderen. Daarentegen kan C wijzen op een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie AC; A heeft zich immers gepresenteerd als hulppersoon van B. C is verplicht om een prestatie te aanvaarden die door een hulppersoon wordt verricht, omdat hij anders in schuldeisersverzuim geraakt op grond van artikel 6:30 jo. artikel 6:58.1 C heeft bovendien geen inzicht in de risico’s die kleven aan de rechtsverhouding AB. Ik meen dat A daarom zijn vordering niet met succes kan instellen tegen C.
In het volgende hoofdstuk illustreer ik de hier ontwikkelde benadering voor betalingen door hulppersonen uitvoeriger. Daar bespreek ik ook enkele andere meerpartijenverhoudingen dan de afgekorte betaling.